Scherpere kaders en meer sturing op flexibiliteit
Ketenregeling: sneller richting vast contract
Een van de meest in het oog springende wijzigingen betreft de ketenregeling voor tijdelijke contracten. De bestaande doorbrekingstermijn van zes maanden wordt vervangen door een termijn van 36 maanden om draaideurconstructies tegen te gaan. Hiermee wordt beoogd werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten sneller te laten doorstromen naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Nulurencontracten: uitgangspunt verder aangescherpt
Het wetsvoorstel zet stevig in op het terugdringen van nulurencontracten als standaard arbeidsvorm. Hoewel het uitgangspunt dat een bepaalde arbeidsomvang wordt overeengekomen op zichzelf niet nieuw is, wordt dit in het wetsvoorstel nadrukkelijker als dwingende hoofdregel gepositioneerd en verder aangescherpt. Nulurencontracten worden daarmee in beginsel als reguliere contractvorm uitgesloten. Een amendement dat ruimte wilde laten om nulurencontracten via cao toe te staan, is verworpen. Dit betekent dat deze contractvorm in beginsel ook niet langer via cao-afspraken is toegestaan. Uitzonderingen blijven wel bestaan voor jongeren, scholieren, studenten en AOW-gerechtigden.
Min-maxcontracten: beperkte flexibiliteit blijft uitgangspunt
Diverse amendementen die meer flexibiliteit binnen bandbreedtecontracten (de zg. min-maxcontracten), beoogden, zijn verworpen. Zo blijft gelden dat de arbeidsomvang maximaal per kwartaal kan worden vastgesteld en wordt dus geen jaaruren-norm ingevoerd. Ook is het niet mogelijk om via cao af te wijken van de vaste wettelijke bandbreedte van 130%. Daarmee blijft deze grens een harde wettelijke norm.
Uitzendpraktijk: meer bescherming en strikter toezicht
Ook voor de uitzendsector bevat het wetsvoorstel meerdere relevante wijzigingen. Zo kan het uitzendbeding niet langer worden ingeroepen tijdens ziekte. Een uitzendkracht blijft in dat geval in dienst, wat meer zekerheid biedt over zowel inkomen als het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst.
Ook de bepaling dat de inlener aan de uitlener een ‘redelijke vergoeding’ moet betalen als de uitzendkracht door de inlener in dienst wordt genomen, wordt nader ingekaderd. Via ministeriële regeling kan voortaan een concrete bovengrens worden vastgesteld, om te voorkomen dat te hoge vergoedingen de doorstroming naar directe dienstverbanden belemmeren.
Conclusie
Met de aanvaarding van het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers zet de wetgever een duidelijke stap richting meer inkomens- en rechtszekerheid voor flexwerkers, zonder de flexibiliteit volledig los te laten. De balans verschuift echter merkbaar: minder ruimte voor langdurige tijdelijke inzet en meer nadruk op gelijke behandeling, begrenzing van uitzonderingen en structurele bescherming. Voor werkgevers en cao-partijen betekent dit dat bestaande flexibele arbeidsrelaties kritisch tegen het licht zullen moeten worden gehouden, zeker waar het gaat om oproep- en uitzendrelaties.
Daarbij zij aangetekend dat het wetsvoorstel vooralsnog is aangenomen door de Tweede Kamer en nog behandeling in de Eerste Kamer moet ondergaan. De Eerste Kamer kan echter geen amendementen aanbrengen; zij kan enkel het wetsvoorstel aanvaarden of verwerpen.
Contact
Mocht u vragen hebben, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen met onderstaande collega of uw vertrouwde Loyens & Loeff adviseur.