Op 21 november 2025 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de situatie van langdurige inlening van een uitzendkracht. De uitzendkracht werd gedurende 13 jaar achtereenvolgens ingeleend via verschillende uitzendbureaus door Unilever en haar rechtsopvolger Upfield. De uitzendkracht stelt dat hij een vast dienstverband heeft met Upfield en beroept zich daartoe op art. 5 van de Uitzendrichtlijn, die in Nederland geïmplementeerd is in art. 8 van de Waadi.

Art. 5 van de Uitzendrichtlijn bepaalt, kort gezegd, dat misbruik van de uitzendsituatie moet worden voorkomen, met name het voorkomen van achtereenvolgende opdrachten om de bepalingen van de Uitzendrichtlijn te omzeilen. Hoofdregel van de Uitzendrichtlijn is immers dat uitzending tijdelijk is, ondanks het feit dat er geen maximale tijdsduur in de richtlijn wordt genoemd. Daarom moet volgens het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) de nationale rechter in elk concreet geval bepalen of er sprake is van een situatie waarbij de tijdelijke aard van uitzendarbeid omzeild wordt. Het HvJ EU heeft in het Daimler-arrest (HvJ EU 17 maart 2022, ECLI:EU:C:2022:196), de omstandigheden geschetst die de nationale rechter moet meenemen om te beoordelen of er sprake is van misbruik. Die omstandigheden zijn de volgende:

  • Als de duur van de activiteit van de uitzendkracht bij de inlener langer dan normaal is, gelet op alle relevante omstandigheden, waaronder met name de specifieke kenmerken van de sector;
  • Of het gaat om achtereenvolgende opdrachten die de uitzendkracht bij dezelfde inlener vervult;
  • Als de inlener geen objectieve verklaring kan geven voor het feit dat gebruik gemaakt wordt van achtereenvolgende uitzendovereenkomsten, temeer wanneer het steeds dezelfde uitzendkracht is die bij de inlener tewerkgesteld wordt.

Het gerechtshof had geoordeeld dat er tussen de uitzendkracht en Upfield sprake was van één langdurige terbeschikkingstelling. De HR acht dat onbegrijpelijk omdat er immers sprake was van verschillende uitzendcontracten met verschillende uitzendbureaus. Verder had het gerechtshof geoordeeld dat de lange duur van de terbeschikkingstelling niet meer dan een aanwijzing was voor misbruik. De HR vindt echter dat misbruik moet worden aangenomen als de duur van de uitzending langer is dan wat, gelet op alle omstandigheden, als “tijdelijk” moet worden aangemerkt. De lange duur is dus niet een aanwijzing voor misbruik, maar wordt al als misbruik aangemerkt als de relevante omstandigheden geen verklaring geven voor de lange uitzending. Tenslotte had het gerechtshof geoordeeld dat Upfield een objectieve verklaring had voor de langdurige inleen, te weten de behoefte aan een flexibele schil, het feit dat Upfield wel andere uitzendkrachten in dienst had genomen en het feit dat Upfield de betreffende uitzendkracht een jaarcontract had aangeboden, hetgeen door de uitzendkracht was geweigerd. De Hoge Raad oordeelt echter dat de behoefte aan de flexibele schil ongeloofwaardig is aangezien Upfield de uitzendkracht al 13 jaar achtereenvolgend inleende. De andere argumenten van Upfield werden als onvoldoende beoordeeld om en objectieve verklaring aan te nemen.

Conclusie

Het oordeel van de Hoge Raad betekent niet dat er bij elke langdurige inleen per definitie sprake is van misbruik. Dat hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval en van de vraag in hoeverre er een objectieve verklaring is voor de lange duur. De Hoge Raad bespreekt niet de rechtsgevolgen van mogelijk misbruik. De Advocaat-Generaal doet dat wel in haar conclusie. Zij geeft aan dat, indien blijkt dat een bepaalde constructie is gebruikt met het enkele doel om doelstelling en ratio van een wettelijke bepaling te omzeilen, in het algemeen in beginsel sprake zijn van misbruik. Als dat zich voordoet, kan door de oneigenlijke constructie worden heen geprikt en tot het oordeel worden gekomen dat sprake is van een (op enig moment tot stand gekomen) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, mogelijk met een andere partij dan de oorspronkelijke werkgever. Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit volgens de AG dat dat het verwijzingshof, indien het vaststelt dat sprake is van misbruik, aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval nauwkeurig zal moeten nagaan of op enig moment een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de inlener (Unilever of Upfield) tot stand is gekomen.