Achtergrond

In oktober 2022 keurde de Raad van de Europese Unie een noodinterventieverordening betreffende de hoge energieprijzen goed (Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen; hierna: “Noodinterventieverordening”).

Eén van de maatregelen uit die Verordening is de inframarginale heffing, d.i. een heffing die beoogt het surplus aan inkomsten van bepaalde elektriciteitsproducenten met lagere marginale kosten af te romen ter financiering van maatregelen die de gevolgen van de hoge elektriciteitsprijzen voor eindafnemers moeten beperken.

De sterke stijging van de gasprijzen heeft ertoe geleid dat de productiekosten van gascentrales zeer sterk toegenomen zijn. Dit heeft tot een aanzienlijke stijging van de groothandelsprijzen voor elektriciteit geleid. Door de werking van de groothandelsmarkten wordt de marktprijs (“clearing price”) bepaald door de duurste technologie die op een gegeven moment nodig is om aan de vraag te voldoen (het “merit order”-principe). Daardoor kan bijvoorbeeld de exploitant van windturbines die zijn productie op de groothandelsmarkt zou verkopen, op bepaalde momenten genieten van dezelfde hoge marktprijzen als de exploitant van een gascentrale, ondanks zijn lagere marginale kosten.

De heffing op inframarginale technologieën beoogt het inkomstensurplus af te romen dat inframarginale producenten, naargelang hun verkoopstrategie, kunnen genieten.

In België werd de inframarginale heffing geïmplementeerd door de Wet van 16 december 2022 tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten (hierna: “Wet Prijsplafond”). Deze trad op 22 december 2022 in werking.

Wie wordt geviseerd door de inframarginale heffing? 

De heffing is in beginsel van toepassing op eenieder die elektriciteit injecteert in het transmissienet, een net dat een transmissiefunctie heeft, een (gesloten) distributienet, een gesloten industrieel net, een tractienet spoor of een directe lijn door middel van een installatie voor elektriciteitsproductie gelegen in België met een vermogen van minimaal 1 MW die gebruik maakt van één van de technologieën opgesomd in de Noodinterventieverordening (waaronder kern-, zon- en windenergie).

De heffing is niet van toepassing op energiegemeenschappen van burgers en hernieuwbare energiegemeenschappen mits hun (eventueel) inkomstensurplus rechtstreeks wordt overgedragen aan hun leden-consumenten. Zulke energiegemeenschappen zijn echter wel gehouden een aangifte in te dienen.

Wat wordt geviseerd door de inframarginale heffing? 

De heffing bedraagt 100% van het “surplus aan marktinkomsten”. Dit laatste is het positieve verschil tussen de “marktinkomsten” en het toepasselijke prijsplafond.

Het prijsplafond

Het prijsplafond is in principe EUR 130 / MWh. Dit is lager dan het prijsplafond van EUR 180 / MWh uit de Noodinterventieverordening. De Belgische wetgever gaat in die zin dus verder dan wat op Europees niveau werd vastgelegd. Volgens de parlementaire voorbereidingen “stemt [het plafond van EUR 180 / MWh] niet overeen met de realiteit van de Belgische elektriciteitsmarkt (…)”.

De Wet Prijsplafond voorziet verschillende afwijkingen op het algemene prijsplafond van EUR 130 / MWh. Zo bedraagt het plafond voor installaties die elektriciteit opwekken uit vaste of gasvormige biomassabrandstoffen en voor verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval EUR 180 / MWh.

Voor elektriciteit geproduceerd door middel van een installatie die productiesteun ontvangt die varieert volgens de evolutie van de marktprijs van elektriciteit (bijvoorbeeld installaties in het Vlaamse Gewest die groenestroomcertificaten ontvangen op basis van een bandingfactor), bedraagt het plafond ofwel EUR 130 / MWh, ofwel de “LCOE”[1] plus EUR 50 / MWh elektriciteit indien dit hoger is dan EUR 130 / MWh, maar nooit meer dan EUR 180 / MWh. Voor onshore installaties valt de “LCOE” niet eenvoudig uit de gewestelijke regelgeving af te leiden; hiervoor heeft de CREG in bijlage 1 bij haar Beslissing (B) 2511 tabellen met LCOE-waarden gepubliceerd.

“Marktinkomsten”

De Wet Prijsplafond bevat een conceptuele definitie van “marktinkomsten”, namelijk de inkomsten die de schuldenaar voor elke transactie ontvangt in ruil voor de verkoop en levering gedurende de relevante periode, ongeacht de contractuele vorm. “Marktinkomsten” omvatten echter geen overheidssteun of subsidies. Voor zover een producent de elektriciteit die hij produceert, ook zelf verbruikt (en dus niet verkoopt), levert dit geen marktinkomsten op en geeft het geen aanleiding tot de heffing.

Naast de conceptuele definitie van “marktinkomsten” legt de Wet Prijsplafond een reeks vermoedens op die, aldus de CREG, “redelijk zijn en gebaseerd op marktpraktijken en de bestaande wetgeving”. 

Met name voor niet-nucleaire elektriciteitsproducenten zal een correcte becijfering van hun marktinkomsten in de praktijk een complexe en tijdrovende oefening zijn. In het kader van de consultatie van de CREG over het aangifteformulier werden tal van vragen gesteld die peilen naar de juiste berekeningswijze en de interpretatie van de diverse vermoedens. Het valt op dat de CREG hier niet inhoudelijk op in gaat in haar raadplegingsverslag.

De becijfering van de marktinkomsten is in België alvast complexer dan bijvoorbeeld in Nederland, waar er gekeken wordt naar de gemiddelde marktinkomsten per kalendermaand: onder de Wet Prijsplafond worden marktinkomsten in de meeste gevallen per dag of zelfs per uur berekend en aan het prijsplafond getoetst. Het invullen van de aangifte vereist alleszins een grondige analyse van de contractvoorwaarden waaronder producenten hun elektriciteit verkopen, waarbij het niet steeds eenduidig is hoe de contractvoorwaarden ingepast kunnen of moeten worden in de begrippen uit het aangifteformulier.

Voor de meeste (maar niet alle) vermoedens geldt dat, als de producent minder produceert dan hij verkoopt (bijvoorbeeld omdat er in een bepaald uur minder wind is dan voorspeld), en als hij het ontbrekende volume op de markt moet aankopen, de kost van die aankoop aftrekbaar is, zonder dat dit kan leiden tot een negatief surplus aan inkomsten. Die kosten mogen ook niet van een vorige periode of naar een volgende periode worden overgedragen, noch tussen verschillende productie-installaties. 


[1]      “LCOE” is het Engelse acroniem voor “Levelized Cost of Energy” en komt in essentie overeen met de volledige kost voor de productie van elektriciteit over de levensduur van de installatie, met inbegrip van een rendement op de investering. Deze term wordt in België gebruikt in het kader van het productiesteunregime voor offshore windenergie.

Hoe wordt de inframarginale heffing toegepast?

De aangifte gebeurt volgens het model van aangifte van de CREG. Ze moet worden ingediend bij de CREG, die belast is met de controle van de aangifte en met het formuleren van een voorstel tot vaststelling van het bedrag van de verschuldigde heffing. De FOD Economie stelt vervolgens het verschuldigde bedrag vast. De schuldenaar hoeft slechts één enkele aangifte in te dienen voor het geheel van zijn installaties die onder de toepassing van de inframarginale heffing vallen.

Indien de schuldenaar een energiegemeenschap van burgers of hernieuwbare energiegemeenschap is, moet hij een aangifte indienen, waarin hij eventueel kan aantonen dat het surplus aan marktinkomsten rechtstreeks wordt overgedragen aan zijn leden-consumenten. 

Indien de elektriciteitsproductie van een installatie over meerdere schuldenaars is verdeeld, dient de aangifte van elke schuldenaar de productie te vermelden die overeenstemt met zijn aandeel in de totale productie.

Zowel de Wet Prijsplafond als het aangifteformulier van de CREG zijn onder hoge tijdsdruk tot stand moeten komen. Dit komt de praktische toepasbaarheid van die documenten onvermijdelijk niet ten goede. Nog los van de vragen over de fundamentele politieke keuzes in de Wet Prijsplafond, bijvoorbeeld over het niveau van het prijsplafond en de toepassing vanaf 1 augustus 2022, is het alvast duidelijk dat een aantal meer gedetailleerde bepalingen, waaronder de vermoedens ter berekening van de marktinkomsten, nog de nodige juridische inkt zullen doen vloeien.