Toegang tot het systeem onder de Energiewet
De Energiewet reguleert op welke wijze projecten mogen worden aangesloten op het elektriciteitsnet (onder de Energiewet is een ‘net’ geherdefinieerd tot een ‘systeem’). Het uitgangspunt daarbij is dat elke onroerende zaak in de zin van de Wet WOZ over een eigen, rechtstreekse aansluiting op het systeem beschikt (althans, indien de eigenaar toegang tot het systeem wenst). Indien verschillende onroerende zaken onderling met kabels en infrastructuur worden verbonden, ontstaat het risico dat onbedoeld een ‘systeem’ wordt gecreëerd, waarvoor in beginsel een systeembeheerder moet worden aangewezen.
De Energiewet kent echter drie uitzonderingen op het uitgangspunt dat elk WOZ-object voor systeemtoegang over een eigen aansluiting dient te beschikken: cable pooling, de directe lijn en het gesloten systeem. Daarnaast bestaat sinds kort de mogelijkheid om een groepstransportovereenkomst aan te gaan: een soort virtueel cable poolen. De belangrijkste voorwaarden voor de vier concepten zijn samengevat in de onderstaande tabel.

Cable pooling
Cable pooling maakt het mogelijk om met maximaal vier in elkaars nabijheid gelegen WOZ-objecten een netaansluiting te laten delen. Voor veel samenwerkingsprojecten volstaat cable poolen: het maximum aantal van vier WOZ-objecten is voor veel samenwerkingen voldoende ruim. Wat betreft het criterium van de onmiddellijke nabijheid, is dit in de praktijk ook niet streng: kabeltracés van 3,5 km zijn door de ACM als nabij genoeg aangemerkt. Cable pooling schiet echter tekort als meer dan vier installaties dienen te worden aangesloten, of in potentie als de installaties dermate ver uit elkaar liggen dat niet meer gezegd kan worden dat zij in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen.
Bij cable pooling sluiten de samenwerkende partijen een gezamenlijke aansluit- en transportovereenkomst (ATO) met de systeembeheerder. Regionale systeembeheerders werken momenteel met een standaardaddendum op de reguliere aansluit- en transportovereenkomst om dit te faciliteren. Ten opzichte van een structuur waarbij slechts één partij de ATO met de systeembeheerder aangaat, heeft een gezamenlijke ATO als voordeel dat alle partijen in principe een rechtstreekse contractuele relatie met de systeembeheerder hebben. Dat zou de onderlinge afhankelijkheden in theorie moeten verlagen, wat in de regel gunstig is voor de financierbaarheid van de toetredende projecten. Niettemin is het standaardaddendum dat regionale systeembeheerders hanteren nog vrij nieuw en zal nog aan het kritische oog van financiers moeten worden onderworpen. Ook zullen partijen in de praktijk een ‘cablepoolingovereenkomst’ moeten aangaan waarin zij alle onderlinge rechten en plichten ten aanzien van het delen van de aansluiting vastleggen.
Een groot commercieel voordeel van cable pooling is dat aanzienlijk kan worden bespaard op transportkosten. Verbruik of opslag gelijktijdig met productie leidt niet tot afname van het net, en daarover zijn ook geen transportkosten verschuldigd. Zodoende is cable pooling niet slechts een faciliteit om te kunnen doorontwikkelen ondanks congestie, maar in veel gevallen commercieel rationeel voor batterijen en verbruikers.
De directe lijn
De directe lijn is een faciliteit die gelijkenissen vertoont met cable poolen. De directe lijn vindt haar oorsprong in de Elektriciteitsrichtlijn en de EU-lidstaten zijn verplicht om de directe lijn in het nationale recht te faciliteren. De Nederlandse directe lijn kent de volgende vereisten:
- De directe lijn bestaat uit (een stelsel van) kabels en eventueel hulpmiddelen (transformatoren, schakelaars, etc.) die elektriciteit transporteren van:
- Maximaal één productie-installatie naar;
- Één of meer eindafnemers (niet zijnde huishoudelijke eindafnemers die niet werkzaam zijn bij of een vergelijkbare betrekking hebben met de eigenaar van de directe lijn);
- Ten hoogste via de installatie van één aangeslotene is verbonden met een systeem of een andere leiding voor transport (lees: een andere directe lijn).
De directe lijn maakt het dus mogelijk om één of meer verbruikersinstallaties te verbinden met één productie-installatie, waarbij het geheel via één installatie op het publieke systeem kan zijn aangesloten. Het directelijnbegrip overlapt met cable pooling: een productie-installatie die met maximaal drie verbruiksinstallaties aan cable pooling doet, kan in principe ook worden gekwalificeerd als directe lijn. Er zijn echter ook verschillen: de directe lijn is niet beperkt tot maximaal vier installaties en mag in beginsel een ongelimiteerde afstand tussen de installaties overbruggen. Tot op heden kende de directe lijn enkele obstakels die deze faciliteit toch minder geschikt maakten voor energieprojecten die op projectbasis worden gefinancierd.
Onder de huidige Nederlandse systematiek kwalificeert degene die van een systeembeheerder de beschikking heeft gekregen over de aansluiting als ‘aangeslotene’. Partijen die uitsluitend via de directe lijn zijn verbonden, hebben daardoor niet zonder meer dezelfde positie tegenover de systeembeheerder als de primaire aangeslotene. Dit kan vragen oproepen over afzonderlijke allocatiepunten, marktprocessen, leverancierskeuze en rechtstreekse contractuele rechten tegenover de systeembeheerder. Zonder passende inrichting kunnen betrokken partijen voor hun energiecontractering en de aansluiting afhankelijk worden van de primaire aangeslotene. Dat kan operationele en juridische complexiteit opleveren, bijvoorbeeld wanneer een elektrolyser, batterij en productie-installatie verschillende handels- en balanceringsstrategieën hanteren. Ook voor projectfinanciering vergt deze afhankelijkheid specifieke afspraken over toegang, continuïteit, aansprakelijkheid en zekerheden.
Met het arrest van het Europese Hof van Justitie van 17 september 2026 (zie onze andere blog: Het arrest van het Hof van Justitie over de directe lijn: gevolgen voor Nederland) neemt het Hof ook enkele van deze nadelen van de Nederlandse directe lijn weg. Het Hof oordeelde namelijk dat directelijnafnemers ook recht hebben op toegang tot het openbare net en op vrije leverancierskeuze. Zodoende zou een directelijnafnemer ook een secundair allocatiepunt moeten kunnen aanvragen, wat zijn commerciële exploitatiemogelijkheden flink verruimt en de financierbaarheid ten goede komt. Ook impliceert het arrest van het Hof een verruiming van de technische configuratiemogelijkheden van een directe lijn: de voorwaarde voor de Nederlandse directe lijn dat deze hoogstens één indirecte verbinding met het systeem of een andere directe lijn heeft, is niet in overeenstemming met de Elektriciteitsrichtlijn. Dat lijkt ook de technische configuratiemogelijkheden van directe lijnen in Nederland te verruimen. Volledigheidshalve: het voorgaande is (nog) niet geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving, maar partijen kunnen mogelijk al vóór de implementatie een beroep doen op het Europese directelijnbegrip en bepalingen in de elektriciteitsrichtlijn.
Het gesloten systeem
Het gesloten systeem, voorheen bekend als het gesloten distributiesysteem, betreft een volwaardig systeem dat privaat mag worden beheerd. Het gesloten systeem kent in principe ruimere mogelijkheden om installaties aan te verbinden: er mogen tot wel 999 WOZ-objecten worden aangesloten (‘minder dan 1.000 aangeslotenen’). Daarmee kunnen in principe grote energy hubs worden gecreëerd. De voorwaarden voor een erkenning als gesloten systeem zijn echter streng: er moeten technische of veiligheidsredenen zijn om een eigen systeem te beheren (congestie omzeilen is géén reden) óf het gesloten systeem transporteert primair elektriciteit voor de eigenaar van het systeem. Daarnaast vereist een gesloten systeem een toegewijde beheerder, hetgeen een aanzienlijke administratieve en operationele verantwoordelijkheid is. Het gesloten systeem is daardoor minder geschikt voor kleinere samenwerkingsprojecten.
Voor samenwerkingsprojecten van een grote omvang kent het gesloten systeem echter wel voordelen: door grootschalige productie en opslag te combineren met verbruik op het gesloten systeem, kan aanzienlijk worden bespaard op de (hoge) transportkosten van het openbare net. Daarnaast creëert een gesloten systeem een nieuwe, zelfstandige business case voor de eigenaar. Op het gesloten systeem kunnen nieuwe partijen worden aangesloten onder commercieel onderhandelbare voorwaarden, en kan worden verdiend op de aansluit- en transportdiensten (waarop slechts een lichter reguleringsregime van toepassing is).
De groepstransportovereenkomst
Tot slot resteert de mogelijkheid om een groepstransportovereenkomst (GTO) aan te gaan. De GTO biedt aangeslotenen onder specifieke voorwaarden de mogelijkheid om transportrechten te delen. Hoewel bij een GTO geen fysieke infrastructuur wordt gedeeld, kan een GTO wel worden gezien als een vorm van virtueel cable poolen. Voor de GTO is wettelijk vereist dat aangeslotenen in beginsel zijn aangesloten op hetzelfde onderstation van de systeembeheerder en dat alle aansluitingen in dezelfde aansluitcapaciteitscategorie vallen. Dit betreft in de praktijk een strenge eis: een fabriek met een aansluiting van 3 MVA zal bijvoorbeeld niet een groep mogen vormen met een wind- of zonnepark met een aansluiting van 11 MVA. Daarnaast dient elke aangeslotene over een eigen aansluiting op de rail van het station te beschikken, waardoor een gebrek aan aansluitvelden ook een praktische belemmering kan vormen. De voorwaarden voor een GTO zijn daarmee wat strenger dan voor cable pooling.
Een potentieel groot voordeel van de GTO voor ontwikkelaars van hernieuwbare-energieprojecten is dat de systeembeheerder de aansluiting(en) realiseert. Dat is anders dan bij cable pooling, waarbij de ontwikkelaars zélf een kabelverbinding dienen te realiseren van het nieuwe project naar een geschikt punt in de infrastructuur van het bestaande project. Bij kleine afstanden hoeft dat geen probleem te zijn, maar indien kabels van meerdere kilometers dienen te worden aangelegd, kan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en privaatrechtelijke goedkeuringen een groot obstakel vormen. Systeembeheerders hebben daar echter veel ervaring mee en kunnen dat proces efficiënt doorlopen. Omdat de GTO verder geen beperking kent ten aanzien van het aantal deelnemers, kan de GTO ook specifiek geschikt zijn voor (eigenaren van) bedrijventerreinen die wensen uit te breiden met nieuwe bedrijfslocaties. Als de samenwerkende bedrijven complementaire productie- en verbruiksprofielen hebben, kunnen zij transportrechten delen zonder dat zij daarvoor hun verbruik (wezenlijk) hoeven aan te passen. Zelfs als dat niet zo is, kan met de realisatie van voldoende productie en opslag binnen de groep voldoende ruimte voor iedereen worden gecreëerd. Met dergelijke investeringen kunnen ook nieuwe bedrijfslocaties met vaste transportcapaciteit worden aangeboden, ondanks de congestieproblematiek.
Een GTO kent echter ook enkele nadelen. Anders dan bij cable pooling, directe lijnen en gesloten systemen wordt met een GTO niet bespaard op de volumetarieven. Alle aangeslotenen betalen het volledige bedrag aan volumetarieven, zonder dat gelijktijdige invoeding en afname binnen de GTO tegen elkaar worden weggestreept. Hoewel voor aansluitingen op tussenspanning en hoger (≥ 25 kV, inclusief aansluitingen direct op het HS+TS/MS-station) momenteel geen volumetarieven gelden, heeft de ACM in de zomer van 2024 nog een position paper gepubliceerd waarin zij volumetarieven als kostenreflectieve tariefdrager voor alle spanningsniveaus aanmerkte. Dit maakt de GTO een optie die slechts meerwaarde biedt indien cable pooling, directe lijnen en gesloten systemen niet mogelijk zijn.
Daarnaast is een aandachtspunt dat de systeembeheerder niet alle individuele gecontracteerde transportvermogens bij elkaar optelt om tot het groepstransportvermogen te komen, maar kijkt naar de hoogste historische gezamenlijke piek. Dat betekent dat het aangaan van een GTO ertoe kan leiden dat het groepstransportvermogen lager is dan de som der delen. Tot slot is de GTO een nieuwe standaardovereenkomst die systeembeheerders aanbieden en zullen partijen onderling nog een ‘transportpoolingovereenkomst’ moeten opstellen. Financiers hebben nog weinig tot geen ervaring met het financieren van GTO-constructies. Het financierbaar krijgen van de GTO en de transportpoolingovereenkomst zal nauwe afstemming vereisen om alle verplichtingen en risico’s adequaat af te dekken.
Samenvatting en conclusie
De Energiewet kent drie verschillende faciliteiten om gebruik te kunnen maken van dezelfde infrastructuur. Daarnaast biedt de GTO voor specifieke gevallen de mogelijkheid om virtueel gebruik te maken van dezelfde infrastructuur. Het gebruik van dezelfde infrastructuur biedt niet alleen de mogelijkheid om ondanks congestie nettoegang te verkrijgen (of te vergroten), maar is in veel gevallen ook commercieel voordeliger dan een eigen aansluiting. Voor bedrijven en ontwikkelaars zal de keuze voor de juiste faciliteit afhangen van de specifieke eigenschappen van het gezamenlijke project. Bij die keuze zijn niet alleen de technische eigenschappen relevant (het aantal, de aard en de omvang van de verscheidene installaties), maar zeker ook de financierbaarheid van de noodzakelijke samenwerkingscontracten en de regulatoire complianceanalyses.
Juridische en strategische ondersteuning bij energieprojecten
Ons energieteam heeft ruime ervaring op het gebied van de ontwikkeling van (hernieuwbare-)energieprojecten. Met onze eigen templates voor bijvoorbeeld cable pooling, transport pooling (bij GTO’s) en PPA’s kunnen wij efficiënt financierbare projectdocumentatie opstellen. Daarnaast heeft ons energieteam diepgaande kennis van alle energiewetgeving, ACM-codes en de handel op energiemarkten (spot-, balancerings- en congestiemarkten), wat ons een strategische adviespartner maakt in vroege stadia van projectontwikkeling.
Contact
Ben je benieuwd naar de ideale faciliteit voor jullie project? Schroom niet om vrijblijvend contact op te nemen voor een eerste analyse.