De directe lijn is een juridisch concept dat zijn oorsprong terugvindt in de allereerste elektriciteitsrichtlijn van 1996 (richtlijn 96/92/EG). De directe lijn moet het voor marktpartijen mogelijk maken om zelf een rechtstreekse fysieke verbinding aan te leggen tussen producent en verbruiker, bijvoorbeeld om zo congestieproblemen op het net te omzeilen. De definities van de directe lijn en elektriciteitsnet sluiten elkaar uit: is een verbinding een directe lijn, dan is het geen elektriciteitsnet en valt deze verbinding ook buiten de regulering die van toepassing is op elektriciteitsnetten.
De Elektriciteitswet 1998 kende de directe lijn sinds 2012. De relevantie van de directe lijn is in de afgelopen jaren in de praktijk afgenomen vanwege de uitgebreide cable-poolingfaciliteit die de Energiewet kent. Met cable pooling is het momenteel mogelijk om tot vier installaties te laten cable poolen, waaronder verbruiksinstallaties. Wat met de directe lijn kan, is zodoende in de meeste gevallen ook mogelijk met gebruikmaking van cable pooling. Tot op heden zijn slechts 55 directe lijnen geregistreerd bij de ACM, waarvan het merendeel dateert van vóór de cable-poolingregeling.
Een relevant onderscheid tussen de directe lijn en cable pooling (kortgezegd: het onder voorwaarden delen van een aansluiting) is dat cable pooling een specifiek Nederlands juridisch concept betreft dat geen grondslag vindt in het Europese energierecht. Zodoende worden de juridische kaders van cable pooling volledig beheerst door het Nederlandse recht, terwijl de directe lijn in principe door de lidstaten in nationale wetgeving moet worden mogelijk gemaakt conform de reikwijdte en voorschriften van de richtlijn (EU) 2019/944 (hierna de “elektriciteitsrichtlijn”). Daarmee kan het Nederlandse directe lijnbegrip ook nader ‘richtlijnconform’ worden uitgelegd, en eventueel zelfs terzijde worden geschoven op grond van rechtstreekse werking van richtlijnen. Tegen deze achtergrond is het arrest van het Hof van Justitie van 17 september 2026 inzake twee gevoegde zaken over de uitleg van het directe lijnbegrip direct relevant voor Nederland.
Conclusie
De directe lijn is in Nederland tot op heden van beperkte relevantie geweest. Dat komt enerzijds door de technische vereisten van de configuratie en de afwezigheid van een recht op een allocatiepunt voor directe lijnafnemers, en anderzijds door de aantrekkelijke en flexibele cable-poolingregeling. Met zijn arrest verduidelijkt het Hof van Justitie het Europese directe lijnbegrip, waarmee duidelijk wordt dat twee grote nadelen van de Nederlandse directe lijn strijdig zijn met de Europese directe lijn. Het is aan de Nederlandse wetgever om het Nederlandse directe lijnbegrip en de rechten van directe lijnafnemers in de Energiewet in overeenstemming met de elektriciteitsrichtlijn te brengen. Tot dat moment zullen Nederlandse ontwikkelaars en bedrijven mogelijk ook al een beroep kunnen doen op de richtlijnconforme uitleg en/of rechtstreekse werking van Unierecht om van de directe lijn gebruik te kunnen maken (alhoewel een juridische toetsing en eventuele afstemming met de systeembeheerder en/of de ACM is aan te raden om handhavingsrisico’s te minimaliseren). De directe lijn wordt daarmee een volwaardig alternatief voor – of aanvulling op – cable pooling, met andere voorwaarden en dus andere mogelijkheden.