You are here:
25 mei 2021 / nieuws

HvJEU: Nederlandse rechter onbevoegd in massaschadezaak VEB - BP

Wat betekent de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 mei 2021 inzake VEB/BP voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van (collectieve) vorderingen bij zuiver financiële schade?

HvJEU: Nederlandse rechter onbevoegd in massaschadezaak VEB - BP

Collectief verhaal in Nederland

Nederland profileert zich al jaren als dé Europese jurisdictie voor collectief verhaal. Claimorganisaties hebben sinds de jaren ’90 de mogelijkheid om via een collectieve actie bij de Nederlandse rechter een verklaring voor recht te vorderen. Sinds 2005 kan het gerechtshof Amsterdam een collectieve schikking algemeen verbindend laten verklaren. Met de inwerkingtreding van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve acties op 1 januari 2020 (de WAMCA) is het ook mogelijk om een collectieve vordering tot schadevergoeding in te stellen.

Buitenlandse gedaagden betwisten regelmatig de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van dit soort collectieve acties kennis te nemen. Het HvJEU verduidelijkt nu in zijn arrest dat schade die is ontstaan op een in Nederland aangehouden beleggingsrekening, op zichzelf onvoldoende aanknopingspunt biedt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis. Deze uitspraak heeft potentieel grote gevolgen voor collectieve verhaalsmogelijkheden via de Nederlandse rechter.

Achtergrond: Deepwater Horizon

Op 20 april 2010 heeft zich in de Golf van Mexico op het door BP geleaste olieboorplatform Deepwater Horizon een explosie voorgedaan. Na deze olieramp toonde BP een aanzienlijk koersverlies.

De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) heeft BP – statutair gevestigd in Londen – in 2015 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en op de voet van artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek een collectieve actie ingesteld ten behoeve van beleggers die in de periode van 16 januari 2007 tot en met 25 juni 2010 ‘gewone aandelen BP’ hebben gekocht, aangehouden of verkocht via een in Nederland aangehouden beleggingsrekening. De VEB stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat BP onrechtmatig heeft gehandeld tegenover deze beleggers door onjuiste, onvolledige en misleidende mededelingen te doen over (de omvang en rol van BP bij) deze olieramp, als gevolg waarvan beleggers koersschade hebben geleden.

Prejudiciële vragen van de Hoge Raad

Centraal staat in deze procedure de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van VEB kennis te nemen op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis: ‘bevoegd is de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden’.

De Hoge Raad heeft op 20 september 2019 prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld (ECLI:NL:2019:1400). De strekking van deze vragen was of de door de VEB gevorderde schade als gevolg van beleggingsbeslissingen genomen onder invloed van algemeen wereldwijd verspreide, maar onjuiste, onvolledige en misleidende informatie van een internationale beursgenoteerde onderneming, een voldoende aanknopingspunt oplevert voor internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit hoofde van het Erfolgsort. Zo nee, welke bijkomende omstandigheden zijn dan vereist die (wel) rechtvaardigen dat de Nederlandse rechter bevoegd is?

Antwoorden HvJEU

Het HvJEU stelt de hoofdregel voorop: bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft.

Bij wijze van uitzondering kan de verweerder in een andere lidstaat worden gedagvaard voor een gerecht van een andere lidstaat op grond van artikel 7 Brussel I-bis. Het HvJEU benadrukt dat artikel 7 Brussel I-bis restrictief moet worden uitgelegd en dat voor een verweerder voorzienbaar moet zijn waar zij in rechte kan worden aangesproken. De beleggingsrekening waarop de aandelen worden gehouden biedt daarvoor een onvoldoende aanknopingspunt, aldus het HvJEU.

Het is volgens het HvJEU wél mogelijk dat de gerechten van de lidstaten waar de vennootschap (met het oog op haar beursnotering) heeft voldaan aan haar wettelijke openbaarmakingsverplichtingen, bevoegd kunnen worden geacht uit hoofde van het intreden van de schade. Enkel in die lidstaten is het voor een beursvennootschap redelijkerwijs voorzienbaar dat er een beleggingsmarkt bestaat en dat zij aansprakelijk kan worden gesteld.

Wat betekent dit voor collectief (schade)verhaal?

De beslissing van het HvJEU heeft niet alleen gevolgen voor de collectieve actie van de VEB tegen BP, maar ook ten aanzien andere collectieve acties die in Nederlands zijn (of worden) ingesteld. De Nederlandse rechter zal immers niet zonder meer bevoegd zijn kennis te nemen van (collectieve) vorderingen bij zuiver financiële schade die is opgetreden op beleggingsrekeningen in Nederland. Daarvoor zijn nadere feitelijke aanknopingspunten vereist.

Neem contact op

Ons kantoor heeft veel ervaring met internationale procedures, collectieve (schade)verhaal en kwesties van internationaal privaatrecht.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Mijke Sinninghe Damsté, Huib Schrama, Abdel Attaïbi of Michel Bosman.



Herstructurering via uitwinning van een pandrecht op aandelen

Herstructurering via uitwinning van een pandrecht op aandelen

Loyens & Loeff adviseerde bij herstructureringen van HEMA en IHC. Onderdeel hiervan was een uitwinning van pandrechten op aandelen ex art. 3:251 BW. lees meer
How to manage legal risks in a time of crisis?

Hoe beheert u best juridische risico's in tijden van crisis?

Deze Q&A omvat een serie vragen die ziet op de onderwerpen die aan bod zijn gekomen tijdens ons webinar in samenwerking met Legal500. Tijdens dit webinar hebben... lees meer

Het Internationale Arbitrageteam van Loyens & Loeff behoudt haar positie in de GAR100 ranking

Het Global Arbitration Review (GAR) heeft haar GAR100 ranking voor 2021 bekendgemaakt. Ons International Arbitration team is er zeer trots op dat het erin geslaagd... lees meer