You are here:
02 juli 2021 / nieuws

Hoge Raad oordeelt opnieuw over box 3

De Hoge Raad oordeelde vandaag in twee zaken over de vermogensrendementsheffing van box 3. Ditmaal gaat het over box 3 zoals deze sinds 1 januari 2017 is vormgegeven. Volgens de Hoge Raad kan de omstandigheid dat een belastingplichtige inteert op zijn vermogen door de heffing in box 3 een aanwijzing zijn dat er sprake is van een individuele buitensporige last.

Download hier de pdf.

Voor de (andere) vraag of box 3 als systeem ook in jaren ná 2016 door de Hoge Raad in stand wordt gelaten, zal de uitkomst in de daarvoor aangewezen procedures moeten worden afgewacht.

De vermogensrendementsheffing van box 3

Per 1 januari 2017 is de vermogensrendementsheffing in box 3 aangepast en wordt het forfaitair rendement gebaseerd op een fictieve vermogensmix. Afhankelijk van de omvang van het vermogen in box 3 wordt per ‘rendementsklasse’ een ander fictief rendement berekend.

Vóór 2017 ging de vermogensrendementsheffing van box 3 uit van één fictief rendement van 4% over het belastbare vermogen in box 3. Over die systematiek oordeelde de Hoge Raad in 2019 al (voor de jaren 2013 en 2014) dat die op stelselniveau in strijd was met recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol EVRM), als het gemiddeld zonder (veel) risico haalbare rendement voor belastingplichtigen in deze jaren lager was dan 1,2%. Volgens de Hoge Raad was toen voor ingrijpen door de rechter echter geen plaats, omdat de rechterlijke macht in verhouding tot de wetgever terughoudend moet zijn bij het herstellen van rechtsgebreken. Dit is alleen anders indien een belastingplichtige wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. Zie ook onze nieuwsbrief van 14 juni 2019.

Oordeel Hoge Raad

Onderhavige zaken

In de twee zaken waarin de Hoge Raad op 2 juli uitspraak heeft gedaan was onder meer aan de orde of de vermogensrendementsheffing van box 3:

  1. voor de belastingplichtige in deze zaak een individueel buitensporige last vormde.
  2. in 2016 én 2017 in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM (recht op ongestoord genot van eigendom), en
  3. de vermogensrendementsheffing van box 3 in 2017 een schending van het discriminatieverbod van artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM inhoudt.
Hoge Raad

De Hoge Raad heeft beslist dat, net als voor de jaren 2013 en 2014, ook voor 2016 de
box 3-heffing op stelselniveau niet tot een andere aanslag kan leiden.

Voor het box 3 systeem zoals dat sinds 2017 geldt gaat de Hoge Raad niet in op strijdigheid met artikel 1 Eerste Protocol EVRM (ongestoord genot van eigendom) of met artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM (discriminatieverbod). De Hoge Raad geeft daarvan aan dat die  rechtsvragen, die zijn aangewezen voor massaal bezwaar, enkel in de daarvoor aangewezen procedures beantwoord zullen worden en dus niet in deze zaak.

Wel kan in deze zaak worden gekeken naar de vraag of de belastingplichtige in kwestie wordt geconfronteerd met een individuele buitensporige last. Daarover oordeelt Hoge Raad (opnieuw) dat de box 3-heffing steeds bezien moet worden in samenhang met de gehele financiële situatie van de belastingplichtige.

Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heeft dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen.

In gevallen waarin de belastingplichtige een zodanig laag totaal inkomen heeft, dat hij door de heffing in box 3 inteert op zijn vermogen, kan  dus sprake zijn van een buitensporige last. Een ander Hof zal dit punt nader moeten onderzoeken voor de belastingplichtige in deze zaak.

Betekenis voor de praktijk

Het arrest van de Hoge Raad biedt ruimte aan belastingplichtigen om te onderbouwen dat de heffing in box 3 in hun geval leidt tot een buitensporige last. Daarvoor is vereist dat de belastingplichtige kan laten zien dat hij, door een laag totaal inkomen, inteert op zijn vermogen als gevolg van de box 3-heffing.

Voor de (andere) vraag of box 3 als systeem ook in jaren ná 2016 door de Hoge Raad in stand wordt gelaten, zal de uitkomst in de daarvoor aangewezen procedures moeten worden afgewacht.

Contact

Heeft u vragen over dit arrest en de eventuele gevolgen in uw situatie? Of heeft u interesse in een vrijblijvend kennismakingsgesprek? Neem dan contact op met uw Loyens & Loeff-adviseur of met een van onze adviseurs van het team Family Owned Business & Private Wealth.

Disclaimer

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden Loyens & Loeff N.V. en alle andere entiteiten, samenwerkingsverbanden, personen en praktijken die handelen onder de naam ‘Loyens & Loeff’, geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene informatie en kan niet worden beschouwd als advies.

 



2021 Prinsjesdag Voorbeschouwende artikel FOB NL

Mogelijke versobering of afschaffing BOR

Aankondigingen rondom bedrijfsopvolgingsregelingen, afgekort ‘BOR’ zijn met Prinsjesdag niet uit te sluiten. lees meer
Beleid over btw-positie commissarissen en andere toezichthouders verduidelijkt

Beleid over btw-positie verder verduidelijkt

Bent u lid van een raad van commissarissen, raad van toezicht of commissie? Dan bent u in de meeste gevallen geen btw-ondernemer. lees meer
Is toepassing van gerichte vrijstellingen werkkostenregeling (zoals de 30%-regeling) zonder aanwijzing als eindheffingsbestanddeel mogelijk?

Toepassing gerichte vrijstelling onder werkkostenregeling

Om vrijstellingen toe te passen onder de Werkkostenregeling is vereist dat de werkgever de betreffende vergoedingen aanwijst als eindheffingsloon. lees meer