Historiek

Het Frans-Belgisch DBV voorziet in twee mechanismen om dubbele belasting op Franse dividenden ontvangen door Belgische rijksinwoners te vermijden:

  1. De Franse inhouding aan de bron mag niet hoger zijn dan 15% (art. 15);
  2. De verrekening van het “forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting” (“FBB”) van minimum 15% met de Belgische roerende voorheffing (art. 19, A.1, alinea 2).

Vanaf 1 januari 2018 heeft Frankrijk het belastingtarief (exclusief eventuele sociale inhoudingen) verminderd van 30% naar 12,80%. Sindsdien is de beperking van de Franse belasting tot 15% niet meer relevant.

Gedurende meer dan dertig jaar weigerde de Belgische belastingdienst echter de toepassing van het FBB op Franse dividenden ontvangen door Belgische natuurlijke personen omwille van wijzigingen in het Belgisch intern recht. Artikel 285 van het Wetboek Inkomstenbelasting (WIB) voorziet inderdaad dat de verrekening van het FBB voorbehouden is voor “goederen en kapitalen voor de beroepswerkzaamheid in België gebruikt” en voor “dividenden die zijn toegekend of toegewezen door beleggingsvennootschappen “.

België past een roerende voorheffing toe (momenteel tegen een tarief van 30%) op de “netto dividenden aan de grens” (i.e. na inhouding van Franse bronheffing), zonder de mogelijkheid om de Franse bronheffing van 12,80% te verrekenen.

Dit heeft tot gevolg dat Franse dividenden momenteel onderworpen zijn aan een totale belastingdruk van 38,96% (exclusief eventuele sociale inhoudingen in Frankrijk).

Voorbeeld: Op een bruto dividend van 100 euro heft Frankrijk een bronheffing van 12,80 euro.

In België is de roerende voorheffing van 30% verschuldigd op het "netto dividend aan de grens" van 87,20 euro, 13,08 euro. De effectieve belastingdruk is dus 38,96 euro.

Rechtspraak van het Hof van Cassatie

De weigering van de Belgische belastingdienst om het FBB toe te passen heeft geleid tot een eerste arrest van het Hof van Cassatie op 16 juni 2017.

In dit arrest herinnert het Hof eraan dat het internationaal recht in beginsel primeert op het nationaal recht en dat in het licht van dit principe de Belgische rijksinwoners die Franse dividenden hebben ontvangen, moeten kunnen genieten van het FBB, zoals voorzien is door het DBV.

Ondanks dit duidelijk arrest van het Hof is de Belgische belastingdienst de toepassing van het FBB zoals voorzien door het DBV blijven weigeren.

Een nieuw arrest van het Hof van Cassatie van 15 oktober 2020 heeft de rechtspraak van 2017 bevestigd.

180° bocht van de belastingdienst?

Het nieuwe arrest lijkt de belastingdienst tot de rede te brengen. De woordvoerder van de Minister van Financiën heeft op 20 januari jl. in de pers aangekondigd dat de belastingdienst zich zal conformeren aan de rechtspraak van het Hof.

Bijgevolg zullen de Franse dividenden, in beginsel, als volgt worden belast:

  • Franse inhouding van 12,80% (naast eventuele sociale inhoudingen in Frankrijk);
  • Belgische roerende voorheffing beperkt tot 15% (te weten 30% forfaitair verminderd met 15%, op basis van het FBB voorzien door het Frans-Belgisch DBV), berekend op het “netto dividend aan de grens”.

Voorbeeld: Op een bruto dividend van 100 euro heft Frankrijk een bronbelasting van 12,80 euro.

In België wordt de roerende voorheffing beperkt tot 15% op het “netto dividend aan de grens” van 87,20 euro, d.i. 13,08 euro.

De techniek van het FBB leidt dus tot een totale belastingdruk van 25,88%, d.i. 4,12% minder dan de roerende voorheffing van 30% die van toepassing is op dividenden van Belgische oorsprong.

Openstaande vragen

Ondanks de verklaring van de woordvoerder van de Minister van Financiën is er thans nog geen officieel standpunt. Er werd nog geen circulaire gepubliceerd.

Een officiële mededeling zou welgekomen zijn teneinde de voorrang van het internationaal recht / van het DBV op het artikel 285 WIB te verduidelijken, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

Een andere vraag betreft het bedrag van het toe te passen FBB ten gevolge van de vermindering van de Franse heffing tot 12,80%. Het Frans-Belgisch DBV voorziet een FBB van “minimum 15%”. Dit heeft als gevolg dat de Belgische belastingdienst een FBB van 15% zou moeten toepassen, ondanks het feit dat het Frans dividend slechts aan een effectieve heffing van 12,80% in Frankrijk werd onderworpen.

Op heden, blijft het af te wachten welk standpunt de Belgische belastingdienst zal innemen over de huidige tegenstelling tussen de tekst van het verdrag (15%) en de reële Franse inhouding van 12,80%.

Draagwijdte van het arrest

Het arrest van het Hof van Cassatie baseert zich op de duidelijke bewoordingen van artikel 19, A.1., alinea 2 van het Frans-Belgisch DBV, dat expliciet voorziet in een FBB van minimum 15%.

Niet alle door België gesloten overeenkomsten voorzien in een verrekening van een FBB.

In het licht van deze duidelijke bewoordingen, lijkt het dat dezelfde redenering enkel zou kunnen worden toegepast op dividenden afkomstig van landen waarmee België een verdrag heeft gesloten dat voorziet in dezelfde bewoordingen (o.m. Australië, Israël, Italië).

Een nieuwe versie van het Frans-Belgisch DBV werd recent onderhandeld door Frankrijk en België. Het ontwerp van nieuw verdrag voorziet in een opheffing van het FBB.

Het is nog niet zeker wanneer het nieuw verdrag in werking zal treden.

Teruggave van het te veel ontvangen bedrag?

Voor de dividenden ontvangen in 2020 zou het mogelijk moeten zijn om een teruggave te verkrijgen van het teveel aan Belgische roerende voorheffing door middel van uw aangifte in de personenbelasting over aanslagjaar 2021.

Daartoe zullen de Franse dividenden (met inbegrip van de Belgische roerende voorheffing van 30%) moeten worden aangegeven in code 160-04 (Vak VII, rubriek A).

Het is vervolgens noodzakelijk om in vak VII, rubriek F het land (Frankrijk), de code (160-04), het bedrag van de dividenden (met inbegrip van de Belgische roerende voorheffing van 30%) en de aard van de inkomsten (dividenden) te vermelden.

De teruggave van de te veel ingehouden voorheffing zal via het aanslagbiljet gebeuren.

We adviseren om een bijlage bij de aangifte te voegen waarin de hierboven vermelde redenering in detail wordt uiteengezet.

Voor de in 2019 ontvangen dividenden is het mogelijk een bezwaarschrift in te dienen binnen een periode van 6 maanden volgend op de verzending van het aanslagbiljet.

Het is onzeker of de belastingdienst een dergelijk bezwaar zal aanvaarden indien de in 2019 ontvangen Franse dividenden niet werden aangegeven in de code 160-04 (zie hoger), hoewel de aangifte van deze dividenden facultatief is, rekening houdend met het bevrijdende karakter van de roerende voorheffing.

Caveat

Zoals hierboven vermeld, werd het nieuwe standpunt van de belastingdienst met betrekking tot de rechtspraak van het Hof van Cassatie alleen vermeld in de pers door (de woordvoerder van) de Minister van Financiën.

Tot op heden werd geen enkele officiële mededeling gepubliceerd.

Het is dus niet zeker dat de belastingdienst de teruggave van de roerende voorheffing met betrekking tot de inkomsten van 2020 en / of de bezwaren met betrekking tot de inkomsten van 2019 zal aanvaarden. 

Conclusie

Het is heugelijk nieuws dat de Belgische belastingdienst de rechtspraak van het Hof van Cassatie – informeel - heeft aanvaard, waardoor een juiste toepassing van het Frans-Belgisch DBV mogelijk moet worden.

Een circulaire die dit standpunt op een officiële manier bevestigt, zou welgekomen zijn. Het zou eveneens goed zijn om het bedrag van het FBB te verduidelijken dat van toepassing is ten gevolge van de daling van de Franse bronheffing tot 12,80%.

In afwachting van een nieuw Frans-Belgisch DBV, lijkt het erop dat de Franse dividenden van een meer voordelige belastingheffing dan de Belgische dividenden zullen genieten.