Daar komt bij dat de Wtp ook een duidelijke, nieuwe doelstelling brengt als het gaat om pensioen. Niet langer is het waarborgen van “zekerheid” een belangrijke pijler, maar het “eerder perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen” (zie Memorie van Toelichting, Wtp). Daarnaast moet pensioen volgens de wetgever “transparanter” en “persoonlijker”. Vandaar dat de Wtp aan pensioenfondsen het risicopreferentieonderzoek (RPO) te verwerken in het strategisch beleggingsbeleid.

Voornoemde verschuiving kleurt voor een belangrijk deel het beleggingsbeleid dat fondsen voeren in. Immers, het (primair) streven naar pensioen haar koopkrachtbehoud maakt dat voldoende beleggingsrendementen moeten worden gemaakt om te kunnen indexeren. Tegelijkertijd moet het pensioenfonds rekening houden met de uitkomsten van het RPO en voldoende motiveren hoe zij dat heeft gebruikt bij het vaststellen van haar strategisch beleggingsbeleid.

De komst van de Wtp maakt zodoende het beleggingsbeleid zichtbaarder én gevoeliger voor discussie.  Wij nemen daarom de prudent-person regel, de aan pensioenfondsen gerichte open norm wat betreft het beleggingsbeleid, algemeen beschouwend onder de loep.

Van uitkeringsregeling naar premieregeling

Uitkeringsregeling

Als gezegd stond in het ‘oude’ pensioenstelsel (lees: het pensioenstelsel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wtp zoals dat nog steeds geldt voor niet-ingevaren pensioenfondsen) de zekerheid van pensioenen voorop.

De uitkeringsregeling, zoals door het gros van de bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen werd uitgevoerd, werd in het oude stelsel gedefinieerd als “een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde pensioenuitkering”. In de praktijk betekende dit een ‘recht’ op een levenslange pensioenuitkering die afhankelijk was van het salaris en de lengte van de diensttijd (waarbij onderscheid bestond tussen de eindloonregeling en de middelloonregeling). Oftewel: de toegezegde pensioenuitkering stond in beginsel vast, en pensioenfondsen richtten hun (financiële) beleid zodanig in dat deze toezegging met een bepaalde mate van zekerheid kon worden gewaarborgd.

Die zekerheid was overigens niet absoluut, maar betrof: “dat met een zekerheid van 97,5 procent wordt voorkomen dat het pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen”, zo vermeldt artikel 132 lid 2 Pensioenwet (voorafgaand aan de Wtp).

Premieregelingen

Onder de Wtp worden pensioenregelingen premieregelingen (de solidaire premieregeling, de flexibele premieregeling of de premie-uitkeringsregeling). De pensioenovereenkomst ziet dan in essentie op de premie-inleg. Het uiteindelijke pensioenresultaat is niet langer ‘toegezegd’, maar hangt sterker af van rendementen, renteontwikkelingen, sterftetafels en de wijze waarop risico’s tussen deelnemersgroepen worden verdeeld.

De solidaire premieregelingen, het type regeling dat de meeste (bedrijfstak)pensioenfondsen die invaren uitvoeren, kenmerken zich door het aanhouden van één collectief beleggingsbeleid, waarbij de gerealiseerde financiële resultaten vervolgens individueel worden toegerekend/verdeeld op basis van vooraf vastgestelde toedelingsregels (per leeftijdscohort). In beginsel kan in dit systeem het pensioen flink mee schommelen met de economie, maar risico’s (zoals beleggings- en langlevenrisico’s) worden collectief verdeeld, en er wordt een solidariteitsreserve gevormd om echte schokken op te vangen.

Dat betekent niet dat deelnemers minder kritisch zullen zijn dan we in het huidige systeem zagen. Integendeel: wanneer koopkrachtbehoud ook onder de Wtp niet wordt gerealiseerd, kan het verwijt verschuiven. Niet langer staat de werkgever of de oude toezeggingssystematiek centraal, maar juist het beleggingsbeleid van het pensioenfonds.

Koopkrachtbehoud blijft een kwetsbaar punt

Ook in het nieuwe stelsel blijft koopkrachtbehoud een onzekere factor, zo verkondigen verschillende experts. Immers, indexatie moet (nog steeds) worden verdiend met beleggingen, het onder de Wtp vrijgekomen geld uit de buffers is bij het invaren reeds uitgedeeld, en beleggingsopbrengsten worden ook in het nieuwe contract voor een groot deel ingezet om pensioenen op peil te houden (lees: niet te veel te laten schommelen).  

Aegon Asset Management maakte in april dit jaar bekend dat een gemiddeld pensioenfonds met de solidaire premieregeling gemiddeld een totaalrendement* van 1,2% maakte in het eerste kwartaal 2026.

*In de solidaire premieregeling wordt het totaalrendement verdeeld in beschermingsrendement en overrendement. Deelnemers krijgen een bepaald percentage van elk van deze componenten toegevoegd aan hun persoonlijk pensioenvermogen, waarbij jongeren meer overrendement toebedeeld krijgen en ouderen meer blootstelling hebben aan beschermingsrendement.

Dat is (lang) niet genoeg om te kunnen indexeren: er bleek door dalingen in de rente (waardoor een deelnemer meer kapitaal nodig heeft voor dezelfde pensioenuitkering) 1,3% beschermingsrendement nodig te zijn om pensioenen op peil te houden. Het overrendement in het eerste kwartaal 2026 kwam daarom uit op -0,1%.

Zodoende blijft een bekend spanningsveld bestaan: deelnemers (maar ook de wetgever) verwachten bescherming tegen koopkrachtverlies (“eerder perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen”), terwijl pensioenfondsen worden geacht binnen wettelijke, prudentiële en maatschappelijke kaders te beleggen.

Claims over beleggingsbeleid zijn niet nieuw

De afgelopen jaren zijn al verschillende procedures gevoerd waarin deelnemers of verenigingen schadevergoeding van pensioenfondsen vorderden vanwege gemiste indexaties of tegenvallende pensioenresultaten.

Voorbeelden zijn claims tegen ABP over het gevoerde beleggingsbeleid (zie Rechtbank Limburg 13 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:10667), de Euronext-zaak die aanvankelijk tegen het ondernemingspensioenfonds van Euronext, Pensioenfonds Mercurius Amsterdam (PMA) werd aangespannen (zie Rechtbank Amsterdam 19 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:431), en de zaak tegen Stichting Pensioenfonds Notariaat (zie Rechtbank Den Haag 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21768).

De grondslagen van deze zaken liepen uiteen, maar de kern van de claims waren vergelijkbaar: indexaties waren uitgebleven, en dat moet iemand (het fonds) goedmaken.

In de twee eerstgenoemde zaken werd van het pensioenfonds schadevergoeding gevorderd op basis van de prudent-person regel. Het pensioenfonds zou niet conform die regel hebben belegd, waardoor te weinig rendementen waren gemaakt om indexaties te kunnen doorvoeren. Dat maakte haar op basis van wanprestatie danwel onrechtmatige daad aansprakelijk jegens de deelnemer, zo luidde de grondslag.

Wat houdt de prudent-person regel in?

De prudent-person regel vloeit voort uit artikel 19 lid 1 van de Pensioenrichtlijn (Richtlijn (EU) 2016/2341) en is in Nederland vastgelegd in artikel 135 van de Pensioenwet en nader uitgewerkt in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (het Besluit FTK), artikelen 13 en 13a. Kort gezegd moeten pensioenfondsen zorgvuldig, deskundig en in het belang van deelnemers en pensioengerechtigden beleggen.

Het gaat om een open norm, die pensioenfondsen in eerste instantie zelf invullen en beoordelen. Dat betekent dat niet één vaste beleggingsmix altijd goed of fout is. Het pensioenfonds moet kunnen uitleggen waarom het gekozen beleid past bij:

  • De doelstelling van het fonds;
  • De kenmerken van de deelnemerspopulatie;
  • De risicohouding per leeftijdscohort;
  • Het risicopreferentieonderzoek*;
  • Wetenschappelijke inzichten;
  • De belangen van deelnemers en pensioengerechtigden; en
  • De wettelijke kaders van de Pensioenwet, het FTK en de Europese Pensioenrichtlijn.

*Onder de Wtp is daar met artikel 52b Pensioenwet expliciet bijgekomen dat pensioenfondsen per leeftijdscohort een risicohouding vaststellen en een daarbij passend beleggingsbeleid voeren. Dit is volgens DNB, die recent “vier op de vijf” ingevaren fondsen een ‘aanwijzing’ gaf over het strategisch beleggingsbeleid, “echt anders in het nieuwe contract dan in het oude contract” (zie DNB stuurt 26 ingevaren fondsen toezichtbrief | Pensioen Pro).

Rechters kijken inhoudelijk naar het beleid

Uit voornoemde rechtspraak blijkt dat rechters het beleggingsbeleid van pensioenfondsen inhoudelijk toetsen zodra een beroep wordt gedaan op schending van de prudent-person regel. In de procedures tegen PMA en ABP stond de vraag centraal of het fonds prudent had belegd. De rechtbank toetste expliciet of het beleggingsbeleid van het pensioenfonds “zodanig is geweest dat dit een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis of onrechtmatig handelen jegens [eiser] oplevert” (zie Rechtbank Amsterdam 19 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:431, rechtsoverweging 10).

In de ‘PMA-zaak’ leidde die volle toetsing niet tot aansprakelijkheid van het fonds. De rechtbank stelde voorop dat pensioenfondsen binnen de kaders van de Pensioenwet en het Besluit FTK de vrijheid hebben om naar eigen inzicht te beleggen. Het is in eerste instantie aan het pensioenfonds om de prudent-person regel uit te leggen, en aan de toezichthouder om te controleren of die open norm op een goede wijze is ingevuld. Dat DNB in dit geval niet had geconcludeerd dat de prudent-person regel door PMA was geschonden en dat de certificerend actuaris vaker (dan niet) had verklaard dat aan de prudent-person regel was voldaan, vond de rechtbank niet doorslaggevend, maar wel belangrijke gezichtspunten bij haar afweging of PMA prudent had belegd. De (beleggings)doelstelling van PMA bleek wél doorslaggevend. De rechtbank oordeelde dat het nemen van risico om rendement te behalen, omdat het pensioenfonds zich heeft verbonden te streven naar indexering (die nou eenmaal uit het beleggingsrendement gefinancierd moet worden), in het onderhavige geval paste bij een afstemming op de verplichtingen van dit fonds. Het gevoerde beleggingsbeleid, ondanks risicovol, was daarmee niet in strijd met de prudent-person regel.

Ook in de ABP-zaak vormde de rechter een zelfstandig oordeel over de prudent-person regel als maatstaf voor het beoordelen van wanprestatie en/of onrechtmatige daad van het fonds, dit keer jegens een gepensioneerde. De gepensioneerde stelde dat ABP door diens beleggingsbeleid onvoldoende middelen had gegenereerd om te kunnen indexeren. De kantonrechter kwam tot een andere conclusie, en baseerde dat op de argumenten van ABP dat (i) zij op verantwoorde wijze gespreid had belegd, (ii) bij het vaststellen van haar beleggingsbeleid binnen de wettelijke kaders was gebleven, (iii) juist goede beleggingsresultaten had behaald in de afgelopen jaren en (iv) het uitblijven van indexatie vooral samenhing met de financiële normen van het oude stelsel.

Pensioenfondsen moeten hun beleid dus kennelijk inhoudelijk kunnen onderbouwen aan de hand van de prudent-person maatstaf indien deze wordt aangevochten.

Hoe kunnen pensioenfondsen aan de prudent-person regel voldoen?

Nu het beleggingsbeleid met de komst van de Wtp (meer) onder de loep komt te liggen, wordt het voor pensioenfondsen nog belangrijker om het beleggingsbeleid zorgvuldig vast te leggen, te motiveren en actueel te houden. Wij zien dat in ieder geval de volgende punten daarbij van belang zijn.

1. Koppel het beleggingsbeleid aan de doelstelling van het fonds

Risico’s die worden genomen, moeten voortvloeien uit de doelstelling van het pensioenfonds en de regeling (pensioenambitie) die sociale partners hebben beoogd. Als koopkrachtbehoud een belangrijk doel is, kan dat ruimte geven voor rendementsgedreven beleid. Maar die keuze moet goed worden onderbouwd.

2. Leg de risicohouding per cohort goed vast

De Wtp vereist dat de risicohouding per leeftijdscohort wordt vastgesteld. Die risicohouding moet gebaseerd zijn op deelnemerskenmerken, risicopreferentieonderzoek en wetenschappelijke inzichten. Het strategisch beleggingsbeleid moet daarop aansluiten. Afwijking is mogelijk indien dat in het belang van de betrokken groepen is (deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, werkgevers – zie artikel 105 lid 2 Pensioenwet).

3. Documenteer de bestuurlijke afweging

Omdat de prudent-person regel een open norm is, is documentatie cruciaal. Het fonds moet kunnen laten zien welke informatie is betrokken, welke belangen zijn afgewogen en waarom voor een bepaalde beleggingsmix of toedelingssystematiek is gekozen.

4. Houd rekening met maatschappelijke ontwikkelingen

Pensioenfondsen opereren niet alleen binnen juridische kaders, maar ook onder maatschappelijke druk. ESG-factoren kunnen onderdeel zijn van het beleggingsbeleid, zeker wanneer het fonds daarvoor kiest. Ook dan geldt dat keuzes uitlegbaar en consistent moeten zijn met de fondsdoelstelling en deelnemersbelangen.

5. Wees voorbereid op toetsing achteraf

Beleggingsbeleid wordt vaak pas ter discussie gesteld wanneer resultaten tegenvallen. Daarom is het belangrijk dat pensioenfondsen niet alleen achteraf kunnen wijzen op rendementen, maar ook vooraf kunnen aantonen dat het proces zorgvuldig was.

Conclusie

De Wtp maakt pensioen persoonlijker en transparanter, maar legt risico’s ook zichtbaarder bij deelnemers en pensioengerechtigden. Daardoor kan het beleggingsbeleid van pensioenfondsen vaker onderwerp worden van discussie en claims.

De prudent-person regel blijft daarbij het centrale toetsingskader. Pensioenfondsen hoeven niet elk tegenvallend rendement te voorkomen, maar moeten blijkens de manier waarop rechters met de prudent-person regel omgaan wel kunnen aantonen dat hun beleggingsbeleid zorgvuldig, deskundig, uitlegbaar en in het belang van deelnemers is vastgesteld. Juist in het nieuwe pensioenstelsel wordt die onderbouwing essentieel.

Contact

Indien u vragen heeft over bovenstaande informatie, kunt u gerust contact opnemen met de hieronder genoemde specialisten.