Achtergrond

De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 in het ‘Kerstavondarrest’ geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing van box 3, zoals die sinds 1 januari 2017 was vormgegeven, in strijd was met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. De Hoge Raad bood rechtsherstel aan belastingplichtigen door uit te gaan van belastingheffing over het werkelijk behaalde rendement. Met het oordeel van de Hoge Raad werd de druk op de politiek om een nieuw box 3-stelsel in te voeren vergroot. Het demissionaire kabinet komt nu met een conceptwetsvoorstel waarin zij schetst hoe box 3 kan worden aangepast naar een heffing over werkelijk rendement.

Hoofdregel van het conceptwetsvoorstel: vermogensaanwasbelasting

Het conceptwetsvoorstel voorziet in de invoering van een nieuw box 3-stelsel waarin belasting wordt geheven op basis van het werkelijk behaalde rendement op box 3-vermogen. In dit nieuwe stelsel worden alle netto-voordelen die, onder welke naam en in welke vorm dan ook, worden verkregen uit box 3-vermogen in de belastingheffing betrokken; het zogenoemde ‘totaalvoordeel’. Hierbij geldt het uitgangspunt dat alle vermogensbestanddelen die in het huidige box 3-stelsel vallen, ook in het nieuwe stelsel worden belast in box 3.

In het nieuwe box 3-stelsel geldt als hoofdregel een zogenoemde vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat naast reguliere voordelen zoals rente, huurinkomsten en dividenden (direct rendement) ook de jaarlijks gerealiseerde en ongerealiseerde waardeontwikkelingen van vermogensbestanddelen (indirect rendement) in de belastingheffing worden betrokken. Het nieuwe box 3-stelsel beoogt het totale (werkelijke) rendement van vermogen te belasten. Kosten die verband houden met behalen van box 3-inkomsten zullen daarom in beginsel aftrekbaar zijn. Als in een jaar sprake is van een verlies, dan zal dit verlies op basis van het conceptwetsvoorstel onder voorwaarden te verrekenen zijn met box 3-inkomen uit andere jaren.

De uitzonderingen:
vermogenswinstbelasting

Onroerende zaken en de ‘eerste woning’ in box 3

Voor onroerende zaken geldt onder het conceptwetsvoorstel in beginsel een vermogenswinstbelasting. Hierbij worden reguliere voordelen zoals huurinkomsten jaarlijks betrokken in de belastingheffing, maar worden de waardeontwikkelingen van de onroerende zaken pas belast bij daadwerkelijke realisatie. De vermogenswinst wordt in beginsel bepaald door de verkoopopbrengst te verminderen met de historische aanschafprijs.

Een uitzondering geldt voor de zogenoemde ‘eerste woning’ in box 3 die hoofdzakelijk ter beschikking staat voor eigen gebruik door de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn/haar huishouden. Dit betreft bijv. een vakantiewoning. Voor die woning wordt voorgesteld om voor het bepalen van het rendement op die woning een netto forfait te hanteren. In het conceptwetsvoorstel wordt geen concreet forfait genoemd, maar op basis van financiële ramingen bij het conceptwetsvoorstel kan een forfait voor de ‘eerste woning’ in box 3 worden verwacht van 3,5% tot 5% over de WOZ-waarde. Uitsluitend woningen in box 3 met een WOZ-waarde van minder dan € 1.200.000 komen in aanmerking voor deze forfaitaire heffing.

Een belastingplichtige met meerdere woningen in box 3 mag kiezen voor welke woning het forfait zal gelden. Voor andere woningen geldt de vermogenswinstbelasting, net als voor andere onroerende zaken. Op de keuze kan niet worden teruggekomen. Voor fiscale partners geldt dat zij (gezamenlijk) één box 3-woning onder het forfaitaire systeem kunnen laten vallen.

Familiebedrijven en startende innovatieve ondernemingen

Het kabinet geeft in het conceptwetsvoorstel aan het belangrijk te vinden dat investeringen in familiebedrijven niet worden ontmoedigd. Daarom wordt voor de belastingheffing ten aanzien van aandelenbelangen in familiebedrijven die niet belast zijn in box 2 (kortweg: die kleiner zijn dan 5%) de vermogenswinstbelasting gehanteerd.

Op basis van het conceptwetsvoorstel is sprake van een familiebedrijf als:

  • de belastingplichtige in box 3, al dan niet tezamen met zijn/haar fiscale partner of een of meer bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of tot en met de vierde graag van de zijlijn (broers, zussen, ooms, tantes, neven en nichten, oudooms en oudtantes en achterneven en achternichten), direct of indirect ten minste 50% van de stemmen kan uitbrengen in de algemene vergadering van aandeelhouders;
  • ten minste één van de onder (a) genoemde familieleden statutair bestuurder is bij het bedrijf; en
  • de werkzaamheden van het bedrijf niet bestaat uit het meer dan bijkomstig (in)direct beleggen van vermogen.

Als een belastingplichtige in box 3 dus een aandelenbelang houdt in een familiebedrijf dat niet belast is in box 2 (een belang dat dus kortweg kleiner is dan 5%), worden reguliere voordelen zoals dividenden jaarlijks betrokken in de belastingheffing van box 3, maar wordt een vermogenswinst pas belast bij verkoop. Het is overigens niet duidelijk hoe wordt omgegaan met situaties waarin de zeggenschap in een familiebedrijf bijvoorbeeld is ondergebracht in een stichting (administratiekantoor).

Er wordt daarnaast nog onderzocht hoe de vermogenswinstbelasting kan worden toegepast ten aanzien van aandelenbelangen van minder dan 5% in startende innovatieve ondernemingen.

Op het moment dat een onroerende zaak, een aandelenbelang in een familiebedrijf of een aandelenbelang in een startende innovatieve onderneming niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vermogenswinstbelasting, vindt een zogenoemde sfeerovergang plaats naar de vermogensaanwasbelasting. De (fictieve) vermogenswinst of -verlies wordt op dat moment in de belastingheffing van box 3 betrokken.

Andere belangrijke onderdelen van het conceptwetsvoorstel

Het belastingtarief van het nieuwe box 3-stelsel

Het conceptwetsvoorstel bevat een voorstel voor een vlak belastingtarief, maar een concreet percentage wordt niet genoemd. Op basis van financiële ramingen bij het conceptwetsvoorstel zou een tarief van 33% tot 37% kunnen worden verwacht.

Verliesverrekening

Het kabinet stelt voor om in het nieuwe box 3-stelsel een regeling voor onbeperkte voorwaartse verliesverrekening op te nemen. Dit zou betekenen dat wanneer een belastingplichtige bijvoorbeeld in jaar 1 een ‘box 3-verlies’ leidt, dat verlies in jaar 2 (gedeeltelijk) kan worden verrekend met positief box 3-inkomen. Vanwege de boxensystematiek van de inkomstenbelasting ligt het volgens het kabinet voor de hand dat ‘box 3-verliezen’ uitsluitend kunnen worden verrekend met positief box 3-inkomen uit andere jaren (en dus geen verliesverrekening over boxen heen).

Vervanging heffingvrije vermogen door een heffingvrij inkomen

In het huidige box 3-stelsel geldt een heffingvrij vermogen van € 57.000 (2023). Bij een belastingheffing op basis van het werkelijk behaalde rendement past volgens het kabinet een heffingvrij inkomen beter. Met de invoering van een heffingvrij inkomen wordt bewerkstelligd dat belastingplichtigen niet vanaf de eerste euro rendement belasting gaan betalen in box 3.

Het conceptwetsvoorstel bevat geen concreet voorstel voor de hoogte van het heffingvrije inkomen, maar op basis van het conceptwetsvoorstel kan worden verwacht dat de meeste belastingplichtigen met een vermogen dat kleiner is dan het huidige heffingvrije vermogen van € 57.000 in het nieuwe box 3-stelsel ook geen belasting in box 3 hoeven te betalen door toepassing van het heffingvrij inkomen.

Vorderingen en schulden

Net zoals in het huidige stelsel moeten vorderingen en schulden in het nieuwe box 3-stelsel in beginsel worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer (hoofdregel). Het conceptwetsvoorstel bevat een uitzondering voor vorderingen die voortvloeien uit een geldleningsovereenkomst tussen natuurlijke personen, bijv. een lening van een ouder aan een kind. Dergelijke vorderingen (en schulden) mogen afwijkend van de hoofdregel worden gewaardeerd op de nominale waarde.

Voorts omvat het conceptwetsvoorstel een zogenoemde kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling. Deze vrijstelling kan onder voorwaarden worden toegepast door een schuldenaar als zijn/haar box 3-schuld wordt kwijtgescholden door de schuldeiser. Toepassing van deze vrijstelling voorkomt dat een belastingplichtige met uitsluitend box 3-schulden belasting moet betalen bij de kwijtschelding van een box 3-schuld.   

Contact

Heeft u na het lezen van dit nieuwsbericht behoefte aan een nadere toelichting op een of meer onderwerpen? Of heeft u interesse in een vrijblijvend kennismakingsgesprek? Neem dan contact op met uw Loyens & Loeff-adviseur of met een van onze adviseurs van het team Family Owned Business & Private Wealth. Wij helpen u graag verder.