You are here:
07 juni 2019 / nieuws

Hoge Raad oordeelt over niet-voortzettingseis in liquidatieverliesregeling

Op 7 juni 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een procedure over de niet-voortzettingseis in de liquidatieverliesregeling die Loyens & Loeff namens een cliënt heeft gevoerd tegen de Belastingdienst.

Winsten en verliezen op kwalificerende deelnemingen zijn op grond van de deelnemingsvrijstelling vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De liquidatieverliesregeling vormt hierop een uitzondering. Onder strenge voorwaarden mag een belastingplichtige een verlies ten laste van haar belastbare winst brengen in verband met de liquidatie van een dochtermaatschappij. Eén van de voorwaarden is de ‘niet-voortzettingseis’: een liquidatieverlies komt slechts in aftrek indien de onderneming van de ontbonden dochtermaatschappij geheel is gestaakt of uitsluitend wordt voortgezet door anderen dan met de belastingplichtige verbonden lichamen. Voortzetting door derden is wel toegestaan. De niet-voortzettingseis beoogt te voorkomen dat een liquidatieverlies wordt genomen op een ontbonden dochtermaatschappij, terwijl de activiteiten van die maatschappij elders binnen het concern worden voortgezet.

De procedure draaide om de vraag op welk moment de niet-voortzettingseis moet worden getoetst. De feiten in deze zaak zijn als volgt. De belastingplichtige had een dochtermaatschappij die haar activiteiten in 2002 overdroeg aan een groepsmaatschappij. In 2003 zijn de aandelen in die groepsmaatschappij verkocht aan een derde partij. De liquidatie van de dochtermaatschappij is in 2004 gestart en uiteindelijk is de vereffening van de dochtermaatschappij in 2010 voltooid.

Volgens de Belastingdienst moest de verbondenheid tussen de dochtermaatschappij en de voortzettende maatschappij worden beoordeeld op het moment van voortzetten (dus in 2002). Dit is conform het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel 5.11.2.3 van zijn Besluit van 13 februari 2019, nr. 2019-0000012049. Belastingplichtige was echter van mening dat de verbondenheid van de voortzettende maatschappij moet worden beoordeeld op het moment dat de vereffening van de dochtermaatschappij was voltooid (dus in 2010). Dat is immers het moment waarop het liquidatieverlies ten vroegste kan worden genomen.

De Hoge Raad heeft de belastingplichtige in het gelijk gesteld. De tekst van de niet-voortzettingseis geeft geen uitsluitsel over het moment van toetsing. De Hoge Raad kijkt daarom naar het doel van deze bepaling. Onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis overweegt de Hoge Raad dat dit doel is het uitstellen van verliesneming totdat de activiteiten zijn gestaakt of buiten het concern worden voortgezet. Dit doel wordt het beste bereikt indien de niet-voortzettingseis wordt getoetst op het vroegste moment waarop het liquidatieverlies in aanmerking kan worden genomen. Dit is het moment waarop de vereffening van de dochtermaatschappij is voltooid.

Met dit oordeel zet de Hoge Raad een streep door het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën in het voornoemde besluit.


Reform of Belgian Data Protection Authority still not put into practice

Loyens & Loeff weer populairste advocatenkantoor

Amsterdam, 4 juli 2019 – Loyens & Loeff is opnieuw het meest aantrekkelijke advocatenkantoor om bij afstuderen voor te gaan werken. Dit blijkt uit de jaarlijkse... lees meer

Reusachtige foto van toproeisters op de Blaak

3 juli 2019, Rotterdam – Juridisch en fiscaal advieskantoor Loyens & Loeff is dit jaar de trotse sponsor van de World Rowing Cup. Dit internationale sportevenement... lees meer
EU General Court annuls State aid decision on Belgian excess profit rulings

Wet- en regelgeving energie in Nederland en België

Op de hoogte blijven? In dit overzicht zijn de voor de Nederlandse en Belgische energiesector relevante wet- en regelgeving opgenomen. U kunt steeds door op... lees meer