You are here:
05 juni 2020 / artikel

CBb: weerlegbaar bewijsvermoeden WOZ-beschikking voor aansluitplicht netbeheerders

De Coöperatie Nij Altoenae Neutraal 2020 U.A. (hierna: ‘NAEN’) heeft op een dak van een loods zonnepanelen gerealiseerd. Een deel daarvan is in eigendom van de perceeleigenaar, de rest is, door middel van een opstalrecht, in eigendom van NAEN. De zonnepanelen van de perceeleigenaar en die van NAEN zijn op 20 september 2017 respectievelijk aangesloten op een 3x35A aansluiting en een kleinverbruikersaansluiting (3x80A) voor een zuivere teruglevering op het openbare net van Liander.

Op hetzelfde dak wil NAEN meer zonnepanelen plaatsen. Een deel daarvan is bestemd voor NAEN en een deel is bestemd voor een derde partij. NAEN heeft daartoe nog twee opstalrechten gevestigd. De gemeente (het college van burgemeester & wethouders) heeft op basis van de inschrijving van de opstalrechten in het Kadaster, drie afzonderlijke WOZ-beschikkingen (‘Wet Waardering onroerende zaken’) afgegeven, volgend op de drie afzonderlijke delen van het dak van de loods die daarmee aangemerkt worden als drie afzonderlijke WOZ-objecten. NAEN is daarbij aangemerkt als eigenaar en gebruiker van die objecten. En ook voor de nieuwe zonnepanelen wil NAEN (aparte) 3x80A-aansluitingen. Liander heeft de aanvragen van NAEN om de kleinverbruikersaansluitingen steeds geweigerd.

In plaats van – de in totaal – driemaal een (voor NAEN goedkopere) kleinverbruikersaansluiting, biedt Liander wel één (duurdere) grootverbruikersaansluiting aan voor de drie WOZ-objecten gezamenlijk. NAEN heeft na de laatste weigering een klacht ingediend bij de ACM. ACM heeft vervolgens geoordeeld dat er inderdaad sprake is van drie afzonderlijke WOZ-objecten waarvoor steeds een nieuwe aansluiting gevraagd kan worden en dat Liander in strijd heeft gehandeld met haar aansluitplicht. In beroep oordeelt het CBb, in tegenstelling tot zijn uitspraak in 2011, dat – kort gezegd – om vast te stellen of een verplichting bestaat te voorzien in een aansluiting op een elektriciteitsnetwerk onder art. 23, eerste lid, van de E-wet, niet in alle gevallen zonder meer moet worden aangesloten bij de objectafbakening zoals deze blijkt uit een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven WOZ-beschikking.  

Waarom is de objectafbakening van belang voor het krijgen van een aansluiting?

In art. 1, lid 1, onder b van de Elektriciteitswet (‘E-wet’) wordt in de definitie van een aansluiting voor de afbakening van een WOZ-object verwezen naar art. 16, aanhef en onderdeel a tot en met e van de Wet Waardering onroerende zaken (‘Wet WOZ’). In art. 23, lid 1, van de E-wet is een verplichting opgenomen voor de netbeheerder om een aansluiting te realiseren voor een ieder die daarom verzoekt. Die verplichting geldt niet voor een (volgende) aanvraag voor een tweede of daaropvolgende aansluiting.

Dit laatste is ook de kern van het geschil zoals vervolgens voorligt bij de ACM: NAEN is van mening dat het tweede en derde opstalrecht zelfstandige WOZ-objecten vormen waarop Liander verplicht is om een aansluiting te realiseren, gebaseerd op de drie aparte WOZ-beschikkingen die NAEN van de gemeente (het college van burgemeester & wethouders) heeft verkregen.

Liander stelt zich echter op het standpunt dat het tweede en derde opstaldeel voor de WOZ-afbakening tot het eerste opstalrecht behoort en Liander dan ook niet is verplicht een tweede aansluiting te realiseren.

ACM houdt vast aan het standpunt dat de WOZ-beschikking bepalend is voor het afbakenen van een WOZ-object

Liander onderbouwt haar betoog in de geschilprocedure bij ACM onder meer met het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 over het begrip ‘inrichting’ in de Wet belasting op milieugrondslag (‘Wbm’), waarbij de Wbm voor deze definitie verwijst naar de Wet milieubeheer (‘Wm’). Die verwijzing naar de Wm voor de bepaling van de ‘inrichting’ ziet “niet op een beslissing van een bestuursorgaan ter uitvoering van de Wm” (dat wil zeggen de vergunning zoals verleend door Gedeputeerde Staten) maar op de Wm zelf.

De ACM heeft in haar geschilbesluit van 3 oktober 2018 geoordeeld dat Liander ten onrechte het verzoek van NAEN om een aansluiting heeft geweigerd en daarmee in strijd heeft gehandeld met art. 23 lid 1 E-wet (aansluitplicht). Het betoog van Liander zoals hiervoor is aangehaald, heeft zij niet relevant geacht en niet richtinggevend bij de uitleg van de E-wet en meer in het bijzonder de aansluitplicht van een netbeheerder.

ACM heeft in haar besluit verwezen naar eerdere ACM-besluiten vanaf 2008 waarin steeds als uitgangspunt is genomen, dat de WOZ-beschikkingen van het college bepalend zijn voor het afbakenen van een WOZ-object en niet de feitelijke situatie. Daarbij vindt de ACM steun in de uitspraak van het CBb van 13 april 2011. In die uitspraak heeft het College onder meer geoordeeld dat “uit de verwijzing in de definitiebepaling van het begrip 'aansluiting' in de (E-)Wet naar artikel 16 van de WOZ volgt dat voor de afbakening van het WOZ-object bepalend is de (WOZ-)beschikking daarover van (het bevoegde orgaan of de bevoegde ambtenaar van) de gemeente en niet de feitelijke situatie, zoals appellante onder verwijzing naar het ProRail-arrest en de Vopak-uitspraak heeft betoogd.

CBb gaat ‘om’: niet in alle gevallen zonder meer aansluiten bij objectafbakening middels een afgegeven WOZ-beschikking

Liander is tegen het besluit van ACM in beroep gegaan. Liander betoogt (wederom) dat ACM bij het bestreden besluit ten onrechte uitgaat van de objectafbakening zoals neergelegd in de WOZ-beschikkingen en niet van de feitelijke situatie. De feitelijke situatie is volgens Liander zo, dat zonnepanelen op het dak van de loods gelet op de E-wet als één ondeelbare installatie dient te gelden en daarom maar over één aansluiting kan beschikken.

Het CBb heeft in de beroepsprocedure een conclusie gevraagd aan de advocaat-generaal (‘A-G’) over de juridische betekenis van de objectafbakening die ten grondslag ligt aan gemeentelijke WOZ-beschikkingen voor niet-bezwaargerechtigde derden zoals Liander.

Zoals hiervoor al is aangegeven is het CBb, in navolging van de conclusie van de A-G van 3 december 2019, teruggekomen op zijn uitspraak van 13 april 2011. Het CBb overweegt onder meer dat  art. 1, aanhef en onder b, van de E-wet uitsluitend verwijst naar de definitie in de Wet WOZ als zodanig, namelijk naar “onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 Wet WOZ”, en niet naar een concrete waardevaststelling of een vergelijkbare term die onmiskenbaar wijst op een ambtelijke vaststelling op basis van die wetsbepaling. Dit blijkt evenmin uit de parlementaire geschiedenis van deze bepalingen.

Daarnaast is het, volgens de A-G en het CBb, wetssystematisch ook onlogisch om netbeheerders in alle gevallen zonder meer gebonden te achten aan WOZ-beschikkingen. Een netbeheerder kan ook geen (mede)belanghebbende bij de beschikking zijn.  

Het beroep van Liander slaagt en het CBb zal het bestreden besluit vernietigen. Het CBb doet vervolgens de zaak zelf af, in die zin dat ACM de klacht van NAEN ongegrond had moeten verklaren.

Weerlegbaar bewijsvermoeden netbeheerder

Overeenkomstig de conclusie van de A-G is er volgens het CBb sprake van een weerlegbaar bewijsvermoeden voor de aansluitplicht van netbeheerders: als een partij meent dat bij de objectafbakening voor de netaansluiting de WOZ-beschikking niet moet worden gevolgd omdat die niet strookt met art. 16 van de Wet WOZ, deze partij de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat de gemeente art. 16 van de Wet WOZ verkeerd heeft toegepast door het object verkeerd af te bakenen.

Het CBb volgt daarbij de reeds door de A-G in zijn conclusie genoemde vier stappen:

  1. welke onroerende zaken in de zin van artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden geïdentificeerd?
  2. In hoeverre is de eigendom c.q. zakelijke gerechtigheid van deze zaken verdeeld over verschillende personen?
  3. Kunnen deze zaken worden opgesplitst in gedeelten die blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt?
  4. Vormen de onroerende zaken of de zelfstandige gedeelten een samenstel?

Liander heeft, blijkens de niet betwiste feiten en omstandigheden, volgens het CBb succesvol het bewijsvermoeden in deze zaak weerlegt. Onder meer is de beantwoording van de vraag of de opstalrechten ter zake van de zonnepanelen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen van belang: de Hoge Raad heeft als beslissende criteria gegeven een (geografisch) samenhangend geheel met één organisatorisch doel, waarbij ook samenhang die niet voor derden waarneembaar is relevant kan zijn. De door Liander gegeven beschrijving van de feitelijke toestand op het dak van de loods, die niet door NAEN dan wel ACM is betwist, is voor het CBb komen vast te staan dat objectafbakening zoals neergelegd in de verschillende WOZ-beschikkingen niet overeenkomen met hetgeen is bepaald in art. 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ.

Naast het oordeel van het CBb dat niet in alle gevallen bij de objectafbakening zonder meer aangesloten dient te worden bij een afgegeven WOZ-beschikking, is het in dit kader ook een belangwekkende uitspraak nu het weerlegbaar bewijsvermoeden dat concreet is gemaakt met het “vier stappenplan”, netbeheerders voortaan (meer) houvast geeft bij de objectafbakening om vast te kunnen stellen of er sprake is van een aansluitplicht of niet.  

Samenvattend: het gaat hier bij de drie door NAEN gevestigde opstalrechten om slechts één WOZ-object in de zin van art. 16, aanhef en onder d, van de Wet WOZ. Het gaat om één opstalgerechtigde (NAEN) en één gebruiker (NAEN) van deze drie opstalrechten, die naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen (één zonnepark). Op Liander rustte dan ook niet de plicht om meer dan één aansluiting te realiseren. Begroep gegrond. 
CBb 2 juni 2020, zaak 18/2227, ECLI:NL:CBB:2020:364

Opknipverbod zonneparken straks ook wettelijk geregeld?

Gedurende deze procedure (voorafgaand aan de conclusie van de A-G) heeft de Minister op 27 november 2019 de voorpublicatie tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (20e tranche) in de Staatscourant gepubliceerd.

In dit concept besluit wordt een bepaling geïntroduceerd waarin een opknipverbod is opgenomen voor productie-installaties van zonne-energie (vergelijkbaar met het wel in de E-wet opgenomen opknipverbod voor windparken) (zie het nieuw in te voegen art. 7ac, leden 2 en 4 van het concept besluit).

Op 11 februari 2020 is, naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet (implementatie wijziging Gasrichtlijn en een aantal verordeningen op het gebied van elektriciteit en gas) door het Kamerlid Van der Lee een (nader gewijzigd) amendement ingediend en door de Tweede Kamer goedgekeurd. Dit amendement wijzigt art. 1, lid 6, van de E-wet in zoverre dat het opknipverbod niet alleen voor windenergie maar ook voor zonne-energie gaat gelden.

Het wetsvoorstel is evenals het (nader gewijzigd) amendement van het Kamerlid Van der Lee op 18 februari 2020 aangenomen en ligt nu voor bij de Eerste Kamer. Afgelopen dinsdag 2 juni 2020 is dit wetsvoorstel door de Eerste Kamer behandeld. De stemming ervan is geagendeerd voor dinsdag 9 juni a.s.

Keurt de Eerste Kamer het wetsvoorstel volgende week goed, dan komt de bepaling zoals voorgesteld in het concept Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te vervallen.   



Wet- en regelgeving energie in Nederland, België en de EU

Op de hoogte blijven? In dit overzicht zijn de voor de Nederlandse en Belgische energiesector relevante nationale (en eventueel ook Europese) wet- en regelgeving... lees meer

Loyens & Loeff adviseert Liander

Op 2 juni 2020 heeft het CBb een belangwekkende uitspraak gedaan over de wijze waarop elektriciteitsaansluitingen moeten worden gemaakt. lees meer

De energietransitie – achtergrond en perspectief

Zelfs in deze ongekende periode, waar het nieuws wordt gedomineerd door COVID-19, gaat vrijwel geen dag voorbij of er wordt in de media ook prominent geschreven... lees meer