Inleiding

In deze zaak gaat het onder meer om de vraag wanneer wettelijke vakantiedagen vervallen (artikel 7:640a BW) dan wel verjaren (artikel 7:642 BW). Het hof stelt vast dat de werknemer in totaal 251,25 niet-genoten wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen heeft opgebouwd. Na uitbetaling van 29 dagen door de werkgever resteren nog (maar liefst) 222,25 vakantiedagen voor vergoeding. De werkgever stelt zich op het standpunt dat deze vakantiedagen zijn vervallen dan wel verjaard en de werknemer dus geen aanspraak kan maken op een vergoeding terzake van deze vakantiedagen.

Verval- en verjaringstermijn wettelijke vakantiedagen

Op grond van artikel 7:640a BW vervalt de aanspraak op de wettelijke vakantiedagen zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Voorts bepaalt artikel 7:642 BW dat onverminderd artikel 7:640a BW een rechtsvordering tot toekenning van vakantie verjaart door verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.

Met deze bepalingen beoogt de Nederlandse wetgever te voldoen aan Europese wet- en regelgeving. Op grond van Europese wet- en regelgeving heeft de werkgever een vergaande zorg- en daarmee samenhangende informatieverplichting jegens zijn werknemer opdat de werknemer gebruikmaakt van zijn of haar recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Concreet betekent dit dat de werkgever zijn werknemer tijdig en op transparante wijze moet informeren over de openstaande vakantiedagen en op de gevolgen van het niet-opnemen hiervan (namelijk: het verval van aanspraak op deze dagen). Neemt een werknemer zonder volledige kennis van de consequenties zijn of haar vakantie niet op, dan heeft de werkgever zijn zorg- en informatieverplichting jegens de betreffende werknemer veronachtzaamd. Als gevolg hiervan vervalt een rechtsvordering tot toekenning van de wettelijke vakantie ex. artikel 7:640a BW niet. Datzelfde geldt voor de verjaring van die wettelijke vakantiedagen ex artikel 7:642 BW. Artikel 7:642 BW is dan ook volgens het hof niet verenigbaar met artikel 7 van Richtlijn 2003/88 en artikel 31 lid 2 van het Handvest.

In deze casus heeft de werkgever de werknemer onvoldoende gestimuleerd vakantie op te nemen en onvoldoende gewezen op de gevolgen van het niet-opnemen van vakantie. In het verweer van werkgever dat werknemer zich wel degelijk bewust was van de gevolgen van niet-opnemen van vakantie vanwege zijn juridische achtergrond (werknemer is advocaat) en de rechtsvordering tot toekenning van vakantie daarom moet worden afgewezen, gaat het hof niet mee. Volgens het hof doet de aanwezigheid van dergelijke juridische kennis bij de werknemer geen afbreuk aan de zorg- en informatieverplichting van de werkgever. Het hof wijst de vordering van de werknemer met betrekking tot uitbetaling van de niet-genoten vakantiedagen dan ook toe. De werknemer had ook nog een flink aantal bovenwettelijke vakantiedagen opgebouwd, maar hij had de verjaringstermijn daarvan op de juiste wijze gestuit, zodat ook die dagen uitbetaald moeten worden.

Conclusie

Werkgevers hebben een vergaande zorg- en daarmee samenhangende informatieverplichting jegens hun werknemers, zodat werknemers ook daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun recht op jaarlijkse vakantie. Werkgevers dienen niet alleen een administratie bij te houden van de door werknemers genoten vakantiedagen, maar moeten hun werknemers er ook actief toe bewegen vakantiedagen op te nemen. Voorts moeten werkgevers werknemers er tijdig en expliciet op wijzen wat de gevolgen zijn van het niet-opnemen van vakantie. Doet een werkgever dat niet, dan kan hem later worden verweten dat hij zijn zorg- en informatieverplichting jegens de werknemer heeft veronachtzaamd en moet hij mogelijk een stuwmeer aan vakantiedagen uitbetalen.