Achtergrond

In de pensioensector bestaat al jarenlang discussie over de vraag of de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (“fondsvrijstelling”) geldt voor pensioenfondsen. Pensioenfondsen die kwalificeren als een gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen zonder btw (vermogens)beheer diensten inkopen wat, vanwege het beperkte btw-aftrekrecht, tot lagere uitvoeringskosten leidt. Cruciale vraag is of een pensioenfonds kwalificeert als gemeenschappelijk beleggingsfonds. Naar aanleiding van Europese rechtspraak worden de eigenschappen van pensioenfondsen vergeleken met die van een instelling voor collectieve belegging in effecten (“icbe”). Een icbe kwalificeert volgens het HvJ in elk geval als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

In de Nederlandse praktijk spitst de discussie zich toe op de vraag of de pensioendeelnemers het vereiste beleggingsrisico dragen. Volgens de Belastingdienst is dat niet het geval bij pensioenfondsen die uitkeringsovereenkomsten uitvoeren. In dat geval is de uitkering namelijk afhankelijk van het aantal dienstjaren en het arbeidsinkomen en in mindere mate van het beleggingsrendement. Het maakt daarbij niet uit of de pensioendeelnemers via toeslagverlening of vermindering van pensioenaanspraken delen in het beleggingsrisico en er geen bijstortingsverplichting bestaat voor de werkgever.

Rechtbank Gelderland heeft het HvJ om uitleg van het begrip beleggingsrisico voor de fondsvrijstelling gevraagd.

Conclusie Advocaat-Generaal

De A-G onderzoekt of de betrokken pensioenfondsen vergelijkbaar zijn met een icbe. Volgens de A-G zijn de volgende kenmerken van een icbe relevant:

  1. het kapitaal wordt uit het publiek aangetrokken wat inhoudt dat het fonds voor een onbeperkt aantal beleggers toegankelijk moet zijn;
  2. er wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding;
  3. de rechten van deelnemingen kunnen op verzoek ten laste van de activa van het fonds (in)direct worden ingekocht of terugbetaald;
  4. het fonds staat onder bijzonder overheidstoezicht; en
  5. het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers.

De A-G meent dat de eigenschappen van de betrokken pensioenfondsen niet vergelijkbaar zijn met een icbe. Deelname aan de pensioenregelingen is namelijk wettelijk verplicht en staat niet open voor anderen dan de beoogde deelnemers (werknemers / beroepsbeoefenaren). Daarnaast kan slechts in uitzonderlijke gevallen pensioenen worden afgekocht.

Voor wat betreft het beleggingsrisico meent de A-G dat van vergelijkbaarheid met een icbe geen sprake is als in de eerste plaats een ‘gegarandeerde’ pensioentoezegging wordt gedaan die met name afhankelijk is van aantal dienstjaren en de hoogte van het arbeidsinkomen. Dat de pensioendeelnemers een beleggingsrisico lopen via toeslagverlening of vermindering van aanspraken lijkt niet relevant te zijn. De A-G concludeert dat de pensioenfondsen in het geding waarschijnlijk niet kwalificeren als gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zodat de fondsvrijstelling niet kan worden toegepast op de door hen ingekochte (vermogens)beheerdiensten.

De A-G ziet echter ruimte voor lidstaten om, naast icbe’s en daarmee vergelijkbare fondsen, andere (type) fondsen zoals de pensioenfondsen in kwestie in de nationale btw-regeling aan te merken als gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Belang voor de praktijk

De uitkomst van deze zaken kan grote gevolgen hebben voor pensioenfondsen met uitkeringsovereenkomsten. Als in het voordeel van de pensioenfondsen wordt beslist zou dat een forse besparing op de uitvoeringskosten van de pensioenfondsen kunnen opleveren. Dit belang zal in de toekomst, met de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel, echter afnemen. Onder de nieuwe pensioenregelingen zou gedurende de opbouwfase van pensioenen de fondsvrijstelling namelijk van toepassing moeten zijn. Wel kan de uitkomst nog van belang zijn voor de uitkeringsfase wanneer wordt gekozen voor een vaste uitkering. De toets die de A-G hanteert zou echter ook gevolgen kunnen hebben voor andere dan pensioenfondsen.

Het is nu aan het HvJ om uitspraak te doen.