Het kwalitatieve én kwantitatieve aspect van de werkingssfeer

Deze zaak (ECLI:NL:HR:2026:795) gaat over een zogenoemd werkingssfeergeschil tussen het bedrijfstakpensioenfonds voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie (bpf MITT) en Hazet, een groothandel in schoonmaak- en hygiëneproducten. Hazet verkoopt onder meer werkkleding en biedt klanten de mogelijkheid om daar een bedrijfslogo op te laten zetten. De producten worden vooral verkocht aan grote bedrijven, zoals fastfoodketens, zorginstellingen en hotels. Daarnaast levert Hazet ook extra diensten, zoals reparaties en het bezorgen van bestelde producten op de juiste locatie.

Zowel de rechtbank als het hof hebben geoordeeld dat de activiteiten met betrekking tot het aanbrengen van bedrijfslogo’s op bedrijfskleding in ieder geval kwalitatief onder de werkingssfeerbepalingen van het verplichtstellingsbesluit vallen. Het toevoegen van een logo moet, volgens het hof, worden opgevat als het bewerken van een kledingstuk waardoor een ander gebruiksvoorwerp ontstaat, namelijk bedrijfskleding voor de desbetreffende klant.

In cassatie draait deze zaak om de vraag of het verplichtstellingsbesluit inzake bpf MITT aldus moet worden uitgelegd dat, hoewel de werkingssfeerbepaling niet expliciet voorziet in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste met betrekking tot de omvang van de activiteiten, daarin toch een zekere kwantitatieve ondergrens besloten ligt. Met andere woorden: speelt de omvang van de relevante werkzaamheden binnen Hazet een rol bij de toepasselijkheid van de werkingssfeer?

Ter illustratie: enkele cijfers uit een door Hazet in de procedure overgelegd Deloitte-rapport luiden, kort samengevat, als volgt: de omzet uit het borduren van logo's op bedrijfskleding bedraagt gemiddeld 0,13% van de totale omzet over de periode 2017–2020 en 0,17% in 2021. Wordt ook het zeefdrukken en transfereren meegerekend, dan bedraagt het aandeel 0,93% in 2021. Van de ruim 90 werknemers zijn er 6 betrokken bij deze activiteiten (2,3 fte).

Het Hof Den Bosch: geen ondergrens mogelijk ‘binnen’ de cao-norm

Het Hof Den Bosch oordeelde eerder (ECLI:NL:GHSHE:2024:2339) dat het verplichtstellingsbesluit van bpf MITT geen expliciet ‘hoofdzaakcriterium’ bevat. Volgens het hof betekent dit, op basis van de zogenoemde cao-norm, dat Hazet ook in ‘kwantitatief’ opzicht onder de werkingssfeer valt. Dat geldt volgens het hof ook als ‘de betreffende werkzaamheden maar een klein onderdeel van haar activiteiten betreft’. Een andersluidende conclusie zou, aldus het hof, betekenen dat het hof zelf een ondergrens zou vaststellen. Daarmee zou het hof de hiervoor genoemde cao-norm verlaten en zelf een invulling geven aan de tekst van het verplichtstellingsbesluit die daarin niet te lezen valt en daar ook niet uit afgeleid kan worden, ook niet als onaannemelijk rechtsgevolg.

Hoewel Hazet voor de werkkleding beschikt over een showroom, een website en een speciaal ‘team’, concludeert het hof dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het aanbrengen van logo’s meer is dan een geringe bedrijfsactiviteit. Dit zou, aldus het hof, betekenen dat Hazet, die duizenden producten verhandelt die niets te maken hebben met textiel maar vooral met schoonmaak en hygiëne, voor al haar werknemers de pensioenregeling van bpf MITT moet volgen, terwijl slechts een fractie van het personeel zich bezighoudt met activiteiten waarvoor de pensioenregeling van bpf MITT is bedoeld en alle werknemers al een pensioenregeling hebben.

Alles tegen elkaar afwegende, oordeelt het hof dat dit zo’n uitzonderlijke situatie betreft dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat bpf MITT zich beroept op het verplichtstellingsbesluit. Het hof verklaart daarom voor recht dat Hazet niet gehouden is om deel te nemen in bpf MITT.

De Hoge Raad: met toepassing van de cao-norm toch een ondergrens

Bpf MITT heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Hazet heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad behandelt eerst het incidentele beroep van Hazet, hoewel het voorwaardelijk is ingesteld, omdat het de verste strekking heeft.

In cassatie klaagt Hazet (kort samengevat) dat het hof miskent dat een redelijke uitleg overeenkomstig de cao-norm, in het bijzonder gelet op het doel en de strekking van de Wet bpf 2000 en de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen, ertoe leidt dat niet iedere activiteit van een onderneming zoals omschreven in het verplichtstellingsbesluit, hoe gering ook, binnen de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt. Er dient, kortom, wel degelijk te worden uitgegaan van een zekere (kwantitatieve) ondergrens.

Voordat de Hoge Raad dit uitgangspunt bevestigt, verwijst hij naar de vaste rechtspraak over de cao-norm. Kort gezegd betekent dit dat werkingssfeerbepalingen objectief moeten worden uitgelegd. De tekst van de bepaling, gelezen in de context van de gehele regeling, is daarbij in beginsel doorslaggevend. Daarnaast kan ook worden gekeken naar de rechtsgevolgen van verschillende mogelijke interpretaties van de tekst, en hoe aannemelijk die uitkomsten zijn.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad, kort samengevat, als volgt. Ook als een verplichtstellingsbesluit niet expliciet een ‘hoofdzaakcriterium’ of een andere eis stelt aan de omvang van de activiteiten, kan het met toepassing van de cao-norm toch zo worden uitgelegd dat er een zekere ondergrens geldt. Daar is volgens de Hoge Raad in dit geval reden voor, vanwege de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg waarbij helemaal geen ondergrens zou bestaan. Zonder zo’n grens zouden ook ondernemingen die vrijwel alleen activiteiten buiten de betreffende bedrijfstak verrichten, toch onder het verplichtstellingsbesluit vallen.

Volgens de Hoge Raad moet het verplichtstellingsbesluit daarom zo worden uitgelegd dat een onderneming geen werkgever is in de zin van dit besluit als zij, in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren, slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit.

Omdat het hof het verplichtstellingsbesluit onjuist heeft uitgelegd, slaagt het cassatieberoep van Hazet. Het Hof Arnhem-Leeuwarden moet nu beoordelen of Hazet slechts ‘op verwaarloosbare schaal’ activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit. Als blijkt dat dit niet het geval is, moet opnieuw worden beoordeeld of het, gezien de omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat bpf MITT zich op het verplichtstellingsbesluit beroept. Dat laatste heeft de Hoge Raad geoordeeld met betrekking tot het door bpf MITT ingestelde cassatiemiddel.

Conclusie en betekenis voor de praktijk

De kern van dit arrest lijkt helder: ook zonder een ‘expliciet’ hoofdzaakcriterium vloeit uit de cao-norm voort dat verplichtstellingsbesluiten altijd een kwantitatieve ‘ondergrens’ hebben. De rechtsgevolgen van een uitleg zonder enige ondergrens zijn namelijk (in beginsel) onaannemelijk, en dat aspect behoort, anders dan het hof oordeelde, tot de reguliere cao-norm-toepassing. Een correctie via de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is daarvoor niet nodig.

Daarmee is in dit meest recente ‘werkingssfeer-arrest’ wederom een principiële vraag beantwoord door de Hoge Raad. Een logische vervolgvraag is hoe die ‘kwantitatieve ondergrens’ in concrete gevallen het beste, bij voorkeur consistent en reproduceerbaar, kan worden vastgesteld. De Hoge Raad geeft hierover (in deze zaak) geen concrete handvatten mee aan het verwijzingshof.

Het proefschrift van Mathieu Halsema (2025) biedt wel de nodige aanknopingspunten voor de beantwoording van dit kwantitatieve werkingssfeervraagstuk. Door patronen en relaties binnen de vele Nederlandse bedrijfstak(cao- en pensioen)regelingen te onderzoeken, heeft Halsema een rechtswetenschappelijk onderbouwd, wiskundig model ontwikkeld waarmee de toepasselijke werkingssfeer van bedrijfstakregelingen op eenduidige wijze kan worden beoordeeld en vastgesteld.

Uit de studie van Halsema blijkt daarnaast onder meer dat het onzeker is of er een ‘kwantitatieve ondergrens’ of ‘minimumpercentage’ (van bijvoorbeeld 25%) valt af te leiden uit de werkingssfeerbepalingen van alle bedrijfstak(cao- en pensioen)regelingen. Steeds zal een kwalitatieve en kwantitatieve afweging tussen te onderscheiden bedrijfstakken dienen plaats te vinden, met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als sluitstuk van ons rechtssysteem (zoals bevestigd door de Hoge Raad in het hier besproken arrest). In dit geval zal daarom niet alleen naar de werkingssfeerbepalingen van de (voor de Hazet-zaak in ieder geval relevante) bedrijfstakregelingen voor de MITT gekeken dienen te worden, maar ook naar de werkingssfeerbepalingen van de regelingen van andere bedrijfstakken, waarbij de (overige) werknemers van Hazet mogelijk betrokken zijn. Dit laatste is in de gepubliceerde uitspraken niet (kenbaar) gebeurd.

Daarnaast geldt bij de kwantitatieve afweging het volgende. Ook als werkingssfeerbepalingen geen expliciete kwantitatieve criteria bevatten, is er nog steeds sprake van werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden binnen de betreffende bedrijfstak. In de Hazet-zaak gaat het volgens het hof om ‘6 van de ruim 90’ werknemers. Het door Halsema beschreven ‘aantal werknemers betrokken bij’-criterium kan daarbij als een relevante variabele dienen. Deze benadering sluit aan bij het uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:847) heeft geformuleerd: werkingssfeerbepalingen zijn bedoeld om ondernemingen aan te wijzen waarvan de belangrijkste activiteit bestaat uit de daarin bedoelde werkzaamheden, en die daardoor tot de bedrijfstak behoren. Welke bedrijfstak dat in het geval van Hazet is, zal het Hof Arnhem-Leeuwarden opnieuw moeten beoordelen.

Contact

In geval van vragen kunt u contact opnemen met een van de hieronder genoemde collega’s.