Een terugkeer van het Ministerie van VROM?

Een terugkeer van het Ministerie van VROM houdt de gemoederen sinds kort bezig. Dat laat zich gemakkelijk illustreren aan de hand van een in 2020 aangenomen motie van Tweede Kamerleden Nijboer en Ronnes, waarin de Tweede Kamer het wenselijk achtte dat in een komend kabinet de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu terugkeert. De daarop voortbordurende motie van Kamerlid Van Haga – waarin tijdens de recente Algemene Politieke Beschouwingen de formerende partijen werden verzocht ervoor te zorgen dat het Ministerie van VROM in zijn geheel terugkeert – werd nipt afgewezen, maar geeft het sentiment in Den Haag goed weer: een vorm van coördinatie van de aanpak van volkshuisvesting en milieu is wenselijk.

Volgens voorstanders van een terugkeer van het Ministerie van VROM zouden voor deze onderwerpen op rijksniveau, in overleg met maatschappelijke partners, doelen moeten worden gesteld. Ook zou het Ministerie van VROM de regie moeten nemen bij het aanpakken van de huidige problemen, waaronder de wachtlijsten voor sociale huurwoningen, de woningnood en het ontbreken van steekhoudend milieubeleid. Het is volgens hen dan ook tijd om op uniforme en consequente wijze vanuit één overheidsorgaan die problemen (versneld) op te lossen en op die manier ruimtelijke opgaven zoals grootschalige woningbouw opnieuw “slagkracht’ bij te zetten.

Daarentegen is een terugkeer van het Ministerie van VROM complex. De vraagstukken waar een dergelijk ministerie anno 2021 voor zal staan zijn namelijk veel groter en gecompliceerder dan waar het voormalige Ministerie (actief tussen 1980 en 2010) mee te maken had. Bovendien omvat het aspect ruimtelijke ordening tegenwoordig veel meer dan enkel het bouwen van meer woningen. Ook onderwerpen als opwekking van duurzame energie, het bewerkstelligen van een circulaire economie, de groei van het openbaar vervoer en de toename van biodiversiteit staan nu op het programma. Het is dan ook allesbehalve zeker of een Ministerie van VROM (of een minister) de planologische ontwerpkracht zal hebben om op centraal niveau kwalitatieve beleidskeuzes te maken die een substantiële bijdrage leveren aan het oplossen van de hiervoor geschetste problemen.

De decentralisatiegedachte van de Omgevingswet

Een terugkeer van het Ministerie van VROM staat tevens haaks op de politieke filosofie van het kabinet-Rutte I. Die filosofie luidde in 2010 namelijk dat het Rijk zich terughoudend moet opstellen op het gebied van ruimtelijke ordening en het landelijk beleid op dat vlak moet loslaten. Decentrale overheden moesten meer vrijheid krijgen om te bepalen op welke er zou worden gebouwd. Op lokaal niveau bestaat immers het meeste inzicht in de planologische situatie. De gedachte was dan ook dat op dat niveau het beste toezicht kan worden gehouden op de balans tussen verstedelijking en milieu.

In het verlengde van die filosofie rijst de vraag hoe de roep om regie (centrale sturing vanuit Den Haag) zich verhoudt met de systematiek en uitgangspunten van de Omgevingswet, die naar verwachting per 1 juli 2022 in werking zal treden. Met deze wet wordt beoogd om regels op het gebied van huisvesting,  de ruimtelijke ordening en milieu te vereenvoudigen en samen te voegen. De Omgevingswet is gestoeld op het subsidiariteitsbeginsel (decentraal, tenzij), wat inhoudt dat bestuurlijke afwegingen en besluitvorming zoveel mogelijk op decentraal niveau zullen plaatsvinden en lokale overheden meer autonomie en mogelijkheden krijgen om op decentraal niveau de fysieke leefomgeving te ordenen. Daarmee worden niet alle ruimtelijke ordeningsvraagstukken naar decentrale bestuursorganen overgeheveld, maar komt op decentraal niveau – nog meer dan nu – het primaat te liggen om die vraagstukken te beantwoorden zodat maatwerk kan worden geleverd.

Opnieuw centraliseren?

Meer regie vanuit een Ministerie van VROM of minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu lijkt zich dan ook moeilijk te verenigen met de trends die vanaf 2010 zijn ingezet en zelfs recent zijn verankerd in – nog in werking te treden – wetgeving. Anderzijds is denkbaar dat de huidige huisvestingscrisis voldoende aanleiding geeft om op centraal niveau de touwtjes opnieuw in handen te nemen.

Overigens biedt de Omgevingswet theoretisch gezien wel instrumenten en aanknopingspunten om vanuit de centrale overheid regie te voeren. De Omgevingswet wordt namelijk praktisch uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur, waarin een Ministerie van VROM of minister instructieregels zou kunnen opnemen waaraan decentrale overheden zich moeten houden. Praktisch gezien vergt het vaststellen van dergelijke regels echter een ambtenarenapparaat met flinke ontwerpkracht én capaciteit en ontstaat opnieuw het risico dat het Ministerie van VROM (of de minister) te veel in het vaarwater van andere ministeries terechtkomt, zoals het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Al met al levert de problematiek dus interessante discussies op waar men zich in Den Haag de komende tijd over zal buigen met als hoofddoel om linksom of rechtsom de huisvestingscrisis het hoofd te bieden.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in De Jurist.