De belangrijkste wijzigingen in het Implementatiebesluit zien op de kredietwaardigheidsbeoordeling, pre-contractuele informatieverplichtingen, verplichte informatieverstrekking aan consumenten, reclameverboden, het verlenen van onafhankelijk advies en regels die vergoedingen maximeren die kredietvertrekkers bij consumenten in rekening mogen brengen. Tot slot wordt aan enkele nieuwe verplichtingen een boetemaximum gekoppeld in geval van niet-naleving van deze verplichtingen. De wijzigingen worden geïmplementeerd in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo Wft), het Besluit kredietvergoeding en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. Wij lichten hieronder een aantal wijzigingen toe. Voor een vollediger beeld van de beoogde wijzigingen op grond van de herziene richtlijn consumentenkrediet (2023/2225) verwijzen wij naar ons eerdere nieuwsbericht over de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.

Beoordeling kredietwaardigheid

De belangrijkste wijzigingen in het BGfo betreffen de bepalingen over de kredietwaardigheidsbeoordeling. Op basis van artikel 113 Bgfo Wft (nieuw) vervalt de zogeheten verificatiegrens van EUR 1.000. Op basis van de huidige wet geldt een verplichting tot verificatie van door potentiële kredietnemers aangeleverde informatie ten behoeve van de kredietwaardigheidsbeoordeling bij kredieten vanaf EUR 1.000, bijvoorbeeld aan de hand van loonstroken ter bewijs van inkomen. Met dit besluit gaat een open norm voor verificatie gelden, waarbij kredietgevers de van de consument verkregen informatie moeten verifiëren naar gelang de noodzakelijkheid daarvan en evenredigheid met de aard, duur, waarde en risico’s van het krediet. Een tweede wijziging ziet op het grensbedrag om het stelsel van kredietregistratie (BKR) te raadplegen in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Op dit moment geldt dat kredietgevers bij kredieten vanaf EUR 250 het BKR moeten raadplegen. Die grens komt te vervallen, zodat het BKR ook bij kleine kredieten moet worden geraadpleegd. Dat is relevant voor aanbieders van kleine kredieten, zoals buy now, pay later aanbieders en de telecom-sector.

Indien de kredietwaardigheidsbeoordeling inzake een consumptief krediet het gebruik van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens omvat, heeft een consument het recht op menselijke tussenkomst. De consument kan bijvoorbeeld om een uitleg van de kredietwaardigheidsbeoordeling vragen en om een herziening van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Ook is onder andere bepaald dat de aanbieder van krediet de consument moet informeren over een afwijzing van een aanvraag voor een consumptief krediet.

Artikel 114a Bgfo (nieuw) introduceert een periodieke kredietwaardigheidstoets voor doorlopend krediet. Het gaat specifiek om een kredietwaardigheidsbeoordeling voorafgaand aan een heropname, indien de laatste kredietwaardigheidsbeoordeling meer dan twaalf maanden geleden plaatsvond. De vraag is of wel sprake is van een duidelijke grondslag in de richtlijn voor een periodieke kredietwaardigheidstoets bij doorlopend krediet. De CCD II voorziet in maximumharmonisatie, zoals opgenomen in artikel 42 lid 1 CCD II. Lidstaten mogen slechts nadere regels stellen in aanvulling op de CCD II voor zover deze onderwerpen in CCD II niet geregeld zijn. In artikel 18 CCD II is opgenomen wanneer de kredietwaardigheid van een consument moet worden beoordeeld, namelijk: (i) voor sluiting van een kredietovereenkomst, en (ii) voordat een significante verhoging van het totale kredietbedrag wordt toegekend. Een heropname bij doorlopend krediet voorziet niet in de verhoging van de kredietlimiet, maar impliceert slechts dat een klant een bedrag opnieuw kan opnemen binnen de huidige kredietlimiet.

Vertragingsvergoeding bij doorlopend krediet

Artikel 12 Besluit kredietvergoeding (nieuw) regelt de maximale vertragingsvergoeding bij doorlopende kredietovereenkomstenwaarbij uitstel van betaling wordt verleend. Dit ziet met name op buy now, pay later-producten en

deferred debit cards. Op basis van deze bepaling kan een vertragingsvergoeding aan de kredietnemer worden gerekend na het verstrijken van een termijn van 14 dagen na ingebrekestelling. Het gaat om een vergoeding van EUR 20 per ingebrekestelling en EUR 60 per kalenderjaar, ongeacht het totaal aantal ingebrekestellingen.

Overige wijzigingen

Overige wijzigingen in het BGfo zien onder meer op regels over de informatie die aan consumenten moet worden verschaft. Er is een verplichting opgenomen dat aanbieders van consumptief krediet, net als aanbieders van hypothecair krediet, op hun website, op papier of een andere duurzame drager algemene informatie kosteloos beschikbaar moeten stellen aan de consument met betrekking tot het op dat moment aangeboden krediet. Ook zijn er een viertal nieuwe reclameverboden ter bescherming van de consument. Voor de precontractuele fase is opgenomen dat bij bepaalde typen kredietovereenkomsten een lichter regime van precontractuele informatieverplichtingen geldt. Het gaat om de kredietovereenkomst voor een totaal kredietbedrag minder dan EUR 200, de kredietovereenkomst waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend, of de kredietovereenkomst op basis waarvan krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en er slechts onbeduidende kosten verschuldigd zijn. In deze situaties hoeft bepaalde precontractuele informatie niet verschaft te worden aan de consument, omdat het de verwachting is dat deze informatie niet leidt tot een hoger beschermingsniveau van de consument. Daarnaast is bijlage D bij het BGfo Wft, het Europese standaardinformatie inzake consumentenkredietformulier (ESIC), waarin de precontractuele informatie verstrekt moet worden, opnieuw vastgesteld.

Consultatie provisiegebod

Het huidige provisiegebod houdt in dat de kredietbemiddelaar niet van de consument, maar alleen van de kredietaanbieder een doorlopende vergoeding mag ontvangen voor het bemiddelen in krediet. In het kader van de implementatie van de CCD II legt de wetgever de vraag voor of het provisiegebod nog wel goed aansluit bij de huidige consumptief kredietpraktijk.

Het doel van het huidige provisiegebod is blijkens de totstandkomingsgeschiedenis dat bemiddelaars niet door onevenredig hoge provisies tot productiejacht worden aangezet en dat zij een belang hebben bij kredietwaardige leningnemers die de lening kunnen terugbetalen. Dat betekent dat het belang van het provisiegebod met name ziet op bemiddelaars die kredietnemers aanbrengen bij kredietverstrekkers. Het begrip “bemiddelen” in de Wft, en op basis van interpretaties van de AFM is echter veel breder dan het aanbrengen van nieuwe kredietnemers. Bemiddelen omvat “alle werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van een overeenkomst inzake krediet tussen een consument en een aanbieder of op het assisteren bij het beheer en de uitvoering van een dergelijke overeenkomst.” Partijen kunnen op dit moment wel een ontheffing bij de AFM aanvragen voor vergoedingen die worden betaald voor “uitbestede aanbiedersactiviteiten”.

Daarnaast lijkt het huidige provisiegebod niet volledig in lijn met het nieuw voorgestelde artikel 86.ga BGfo Wft. Op basis van dit artikel is een voorwaarde om te spreken van onafhankelijk advies dat de adviseur geen vergoeding ontvangt van de kredietgever, tenzij voor de totstandkoming van het advies een meerderheid van de op de markt actieve kredietgevers in overweging is genomen. In de consumptief kredietmarkt is het gebruikelijk dat partijen die adviseren ook optreden als bemiddelaar in consumptief krediet. Als de bemiddelaar de hoofdregel volgt dat geen provisie van de kredietgever kan worden ontvangen, dan kan de bemiddelaar in het geheel geen provisie ontvangen en is de facto sprake van een provisieverbod. Immers, de bemiddelaar mag op basis van het Bgfo Wft uitsluitend beloond worden door de kredietgever en niet door de consument.

Inwerkingtreding

De richtlijn dient op 20 november 2025 in nationale wet- en regelgeving te zijn geïmplementeerd en de bepalingen hiervan dienen uiterlijk 20 november 2026 in werking te treden. Het wetgevingstraject loopt nog voor zowel de Implementatiewet als het Implementatiebesluit. Het is wel beoogd dat de nieuwe wetgeving uiterlijk op 20 november 2026 in werking zal treden. Dat betekent dat aanbieders weinig tijd hebben om de nieuwe regels te implementeren. Voor de consultatie over het provisiegebod geldt geen specifiek tijdspad. 

Contact

Wij denken graag mee bij het in kaart brengen van de relevante wijzigingen voor uw organisatie. Heeft u naar aanleiding hiervan vragen of heeft u vragen over andere onderwerpen op het gebied van financiële regelgeving? Neem dan contact op met ons Financial Regulatory Team.