Achtergrond
De zaak betrof een door De Nederlandsche Bank (DNB) afgedwongen verkoop van een verzekeringsonderneming. De verkoop werd vormgegeven via een juridische afsplitsing, gevolgd door een verkoop van het bij de afsplitsing verkregen aandeel in de nieuw opgerichte vennootschap aan een derde kort na de splitsing. De inspecteur weigerde toepassing van de splitsingsfaciliteit (artikel 14a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), omdat het wettelijke bewijsvermoeden zou meebrengen dat zakelijke overwegingen ontbraken. Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden volgde dit standpunt en legde de bewijslast bij de belastingplichtige om te bewijzen dat de splitsing niet fiscaal gedreven was. Het Hof oordeelde vervolgens dat belastingplichtige daar niet in slaagde en achtte de splitsing een kunstmatig en enkel fiscaal ingegeven alternatief op een activa-passiva transactie. De zaak ging vervolgens naar de Hoge Raad.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat anti-misbruikregel moet worden toegepast in overeenstemming met de Fusierichtlijn (Richtlijn 2009/133/EG) en relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, nu met de Nederlandse splitsingsfaciliteit is bedoeld aan te sluiten bij het misbruikvoorbehoud van de Fusierichtlijn, zonder onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende splitsingen.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU oordeelt de Hoge Raad dat:
- lidstaten geen algemeen of automatisch misbruikvermoeden mogen hanteren, tenzij de splitsing uitsluitend ertoe strekt een belastingvoordeel te behalen en dus niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen;
- een splitsing kan verschillende overwegingen hebben, waaronder ook fiscale, hetgeen zakelijke overwegingen niet uitsluit mits deze fiscale overwegingen niet doorslaggevend zijn;
- misbruik moet worden vastgesteld op basis van een individuele beoordeling van alle feiten en omstandigheden;
- belastingautoriteiten ten minste een begin van bewijs moeten leveren dat sprake is van belastingontwijking of het ontbreken van zakelijke overwegingen.
De Hoge Raad benadrukt daarbij dat het enkele feit dat aandelen binnen drie jaar na de splitsing worden vervreemd aan een derde niet rechtvaardigt dat wordt aangenomen dat de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De Hoge Raad herhaalt onder verwijzing naar haar eerdere rechtspraak dat ook indien een dergelijk voornemen al bestond ten tijde van de besluitvorming over de splitsing, dat op zichzelf onvoldoende is voor die aanname.
Het betreffende bewijsvermoeden in de anti-misbruikregel vormt daarom een ontoelaatbaar algemeen misbruikvermoeden in strijd met de Fusierichtlijn, en moet aldus buiten toepassing blijven. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst de zaak voor verdere feitelijke beoordeling, met een richtlijnconforme bewijslastverdeling.
Belang voor de praktijk
Dit arrest is van grote betekenis voor de toepassing van de splitsingsfaciliteit in (verkoop)situaties. Het arrest is van overeenkomstige toepassing op de bedrijfsfusiefaciliteit voor de vennootschapsbelasting en de splitsingsfaciliteit voor de overdrachtsbelasting (die laatste zoals van kracht tot 1 juli 2025). De Hoge Raad bevestigt dat:
- een derdenverkoop van aandelen binnen drie jaar na een splitsing op zichzelf geen misbruik oplevert, ook niet bij een reeds bestaand verkoopvoornemen ten tijde van de splitsing;
- ook aandeelhoudersmotieven zakelijke overwegingen kunnen vormen, mits niet overwegend fiscaal gedreven;
- de inspecteur niet kan volstaan met een beroep op een wettelijk vermoeden als gevolg van een derdenverkoop binnen drie jaar, maar concreet moet onderbouwen waarom sprake zou zijn van misbruik;
- voor de beoordeling van zakelijke overwegingen moet worden beoordeeld of zowel het einddoel van de splitsing, als de splitsing als gekozen weg naar dat einddoel in vergelijking met andere voorhanden alternatieven, is ingegeven door zakelijke overwegingen.
De uitspraak zet een duidelijke streep door de automatische bewijslastomkering die de praktijk jarenlang heeft gekend bij verkoop binnen drie jaar na een splitsing. Het is echter nog afwachten wat de uitkomst zal zijn voor de betreffende belastingplichtige en hoe het Hof de feitelijke toetsing zal benaderen na verwijzing, met name gezien de door het Hof in beroep eerder geuite bezwaren omtrent de keuze voor een afsplitsing in plaats van reguliere activa-passiva transacties. De uitspraak na verwijzing geeft mogelijk verdere duiding en praktische invulling met betrekking tot de feitelijke beoordeling of sprake is van zakelijke overwegingen.
Contact
Neem contact op met uw belastingadviseur bij Loyens & Loeff of ondergenoemde collega’s voor enige vragen.