Vakbonden FNV en CNV hadden betoogd dat Temper de arbeidsrechtelijke bescherming van de arbeidskrachten omzeilde. Volgens de bonden was sprake van schijnzelfstandigheid en fungeerden de arbeidskrachten als uitzendkrachten van Temper. In eerste aanleg werd de vordering grotendeels afgewezen. Het hof komt in hoger beroep tot een ander oordeel en wijst een deel van de vorderingen alsnog toe.

Kwalificatie van de arbeidsrelatie: uitzendovereenkomst

Het hof kwalificeert de rechtsverhouding tussen Temper en de arbeidskrachten als een uitzendovereenkomst. Dat betekent dat Temper als formele werkgever wordt aangemerkt, die de ter beschikking stelt aan opdrachtgevers om onder toezicht en leiding van die opdrachtgevers te werken.

Om tot dit oordeel te komen heeft het gerechtshof, in lijn met de zogenoemde Deliveroo-criteria van de Hoge Raad, alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij geldt dat eerst wordt vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen, waarna wordt beoordeeld of deze voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Niet de contractuele benaming is doorslaggevend, maar de feitelijke uitvoering van de arbeidsrelatie. Het Hof meende dat deze Deliveroo-criteria ook van toepassing zijn op de bijzondere vorm van de arbeidsovereenkomst, een uitzendovereenkomst.

Enkele relevante factoren uit het arrest:

  • Regie en betrokkenheid Temper: Temper profileert zich niet als een louter neutraal platform, maar is nauw betrokken bij de totstandkoming van de werkzaamheden. Zij stelt modelovereenkomsten van opdracht ter beschikking, adviseert om daarvan niet af te wijken (hetgeen ook nauwelijks gebeurt), en stelt zg. vervangingsovereenkomsten ter beschikking, waarbij het ook nog eens zo is ingericht dat een arbeidskracht maar een maximumaantal uur voor een bepaalde opdrachtgever kan werken. Deze mate van betrokkenheid duidt er volgens het Hof op dat Temper meer is dan een bemiddelingsplatform dat alleen maar vraag en aanbod bij elkaar brengt.
  • Inbedding en toezicht door opdrachtgevers: Temper heeft onvoldoende betwist dat de werkzaamheden via Temper onderdeel uitmaken van de reguliere bedrijfsactiviteiten van de opdrachtgevers en worden verricht onder toezicht en leiding van de opdrachtgevers. De opdrachtgever bepaalt werktijden en instructies, hetgeen past binnen de systematiek van de uitzendovereenkomst. Dat de opdrachten vaak van korte duur zijn, doet volgens het gerechtshof niet af aan deze kwalificatie.
  • Persoonlijke arbeid (beperkte vervangbaarheid): Hoewel contractueel een vervangingsmogelijkheid is opgenomen, acht het gerechtshof deze in de praktijk van beperkte betekenis aangezien een arbeidskracht gemiddeld bij acht opdrachtgevers 42 klussen verricht per 3 maanden. De vervangingsclausule doet daarom niet af aan het vereiste van persoonlijke arbeid.
  • Geen eigen ondernemersrisico: Volgens het gerechtshof lopen de arbeidskrachten geen wezenlijk commercieel risico. Zij kunnen het debiteurenrisico afkopen en substantiële investeringen ontbreken. Ook de wijze waarop de werkzaamheden worden verricht en de hoogte van de beloningen duiden niet op zelfstandig ondernemerschap. Dat arbeidskrachten beschikken over een btw-nummer of KvK-inschrijving, maar dit acht het gerechtshof onvoldoende om ondernemerschap aan te nemen.

Gevolgen en duiding voor de platformeconomie

Door Temper als uitzendwerkgever te duiden zal Temper moeten voldoen aan de relevante arbeidsrechtelijke verplichtingen, zoals naleving van de ABU-cao (voor zover die algemeen verbindend is (geweest) en toepassing van de relevante bepalingen uit de Waadi. Zo heeft Temper in de periode 2016–2019 artikel 9 Waadi geschonden door €1 per gewerkt uur bij de arbeidskrachten in rekening te brengen voor haar terbeschikkingstellingsactiviteiten. Daarnaast had Temper loonheffingen moeten inhouden en afdragen ten aanzien van de beloning die werd betaald door de opdrachtgevers aan de werkende.

Wat betekent dit voor platforms en opdrachtgevers?

Hoewel er naar verwachting cassatie wordt ingesteld tegen deze uitspraak en de uitkomst daarmee nog niet zeker is, is het duidelijk dat platformconstructies kritisch worden beoordeeld. Er kan niet langer worden volstaan met de stelling dat een platform een technologisch bemiddelingsplatform is dat vraag en aanbod bij elkaar brengt; als het platform de relatie tussen de werker en de opdrachtgever (deels) organiseert, bestaat er een risico dat de relatie tussen de werkende en het platform als uitzendovereenkomst wordt aangemerkt.

De uitspraak raakt ook de opdrachtgevers. Als een platform achteraf als uitzendonderneming wordt aangemerkt, kunnen de arbeidskrachten de opdrachtgevers aansprakelijk stellen als zij te weinig loon hebben ontvangen en zij kunnen worden geconfronteerd met de (fiscale) inleners- en ketenaansprakelijkheid.

Contact

Indien u vragen heeft over bovenstaande informatie, kunt u gerust contact opnemen met de hieronder genoemde specialisten.