Recentelijk heeft de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen in een zaak (hierna: de breukzaak) waarin onder meer relevant was welke zaken in het afgescheiden vermogen van een commanditaire vennootschap (hierna: cv) vallen (en de vraag welke zaken verhaal zouden kunnen bieden voor wiens schuldeisers).
Met deze bijdrage reflecteren de auteurs op de effecten die sommige conclusies uit de breukzaak hebben voor het nut en de noodzaak van de voor beheerders van beleggingsfondsen belastende regeling van art. 4:37j Wet op het financieel toezicht (Wft). Zij vragen zich af: is art. 4:37j Wft voor de cv nu echt failliet of heeft de rechtbank Rotterdam misschien verkeerd verbonden?
Zij behandelen voornoemde vraag en hoe de conclusies uit de breukzaak zich verhouden tot de regeling van art. 4:37j Wft, door eerst stil te staan bij (i) hun begrip van de heersende leer met betrekking tot het afgescheiden vermogen van een beleggingsfonds dat de rechtsvorm van een cv heeft en (ii) welke toezichtrechtelijke vereisten gelden voor een beleggingsfonds dat de rechtsvorm van een cv heeft. Daarna bespreken de auteurs (iii) het vonnis in de breukzaak en op welke wijze dit een breuk vormt met de heersende leer en maken zij (iv) enkele observaties ten aanzien van het oordeel in de breukzaak die samenhangen met het doel en de strekking van art. 4:37j Wft. Zij sluiten af met een korte conclusie.
De volledige publicatie is hieronder te downloaden.
Deze publicatie is eerder gepubliceerd in Tijdschrift Financieel Recht in de Praktijk van Sdu.