Na jaren van discussie over schijnzelfstandigheid is er nu een eerste concrete wetswijziging. Op 18 juni 2026 is de Wet invoering rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief aangenomen. Daarmee wordt een nieuw artikel 7:610aa BW ingevoerd dat werkenden met een laag uurtarief een sterkere positie beoogt te geven bij discussies over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie.

Rond schijnzelfstandigheid is veel in beweging. Opdrachtgevers en zelfstandigen hebben te maken met uiteenlopende ontwikkelingen, waaronder de Deliveroo-rechtspraak, het Uber-arrest, aangescherpte handhaving door de Belastingdienst, het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) en de plannen voor een nieuwe Zelfstandigenwet. Tegen die achtergrond is het niet altijd eenvoudig om vast te stellen wat inmiddels daadwerkelijk is veranderd en wat de huidige stand van zaken is.

Het antwoord is dat het nieuwe rechtsvermoeden nu wél wet is geworden. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken wat deze wijziging niet doet. Het rechtsvermoeden verandert namelijk niets aan de criteria op basis waarvan wordt beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst. De bekende kwalificatievraag moet nog steeds worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:610 BW en de rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder Deliveroo en Uber. Wat wel verandert, is de bewijslastverdeling.

Hoe zijn we hier gekomen?

Het rechtsvermoeden stond oorspronkelijk niet op zichzelf. Het vormde één van de twee pijlers van het wetsvoorstel VBAR. Met dat wetsvoorstel wilde het kabinet twee doelen bereiken. Ten eerste moest voor werkenden, opdrachtgevers en uitvoeringsinstanties duidelijker worden wanneer sprake is van werknemerschap en wanneer van zelfstandig ondernemerschap. De criteria uit de bestaande rechtspraak zouden daarvoor wettelijk worden verankerd. Daarbij stond centraal of sprake is van werkinhoudelijke en organisatorische sturing door de opdrachtgever enerzijds en werken voor eigen rekening en risico anderzijds.  Ten tweede bevatte het wetsvoorstel een rechtsvermoeden van werknemerschap voor werkenden met een laag uurtarief. Hierdoor zouden kwetsbare zelfstandigen eenvoudiger een beroep kunnen doen op werknemersbescherming wanneer een arbeidsrelatie feitelijk kenmerken van een arbeidsovereenkomst heeft.

In de jaren daarna bleef de discussie over de kwalificatie van arbeidsrelaties echter volop in beweging. Zo oordeelde de Hoge Raad in het Uber-arrest dat ook extern ondernemerschap een volwaardig gezichtspunt vormt bij de beoordeling van een arbeidsrelatie. Naar aanleiding daarvan werd het wetsvoorstel VBAR aangepast. Extern ondernemerschap werd uiteindelijk onderdeel van de primaire beoordeling in plaats van slechts een doorslaggevende factor bij twijfelgevallen.

Van VBAR naar Zelfstandigenwet

Hoewel het kwalificatiegedeelte van de VBAR lange tijd centraal stond in het debat, koos het nieuwe kabinet begin 2026 voor een andere koers. Volgens minister Aartsen ontbrak voor het beoogde verduidelijkingsdeel van de VBAR voldoende draagvlak. Het kabinet besloot daarom het deel van het wetsvoorstel dat de beoordeling van arbeidsrelaties wettelijk moest verduidelijken niet verder in behandeling te nemen. In plaats daarvan werd gekozen voor een gefaseerde aanpak waarbij het rechtsvermoeden wordt ingevoerd en de verdere regulering van zelfstandig ondernemerschap wordt ondergebracht in de toekomstige Zelfstandigenwet. Daarmee beoogt het kabinet zelfstandigen meer rechtszekerheid te bieden en hun positie op de arbeidsmarkt explicieter te erkennen. De contouren van de Zelfstandigenwet wijzen dan ook op een afzonderlijk wettelijk kader voor zelfstandig ondernemerschap, met onder meer een zelfstandigentoets, een werkrelatietoets en een sectoraal rechtsvermoeden voor sectoren waarin een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid bestaat. Daarnaast wordt gedacht aan een toetsingscommissie die vooraf duidelijkheid kan verschaffen over de kwalificatie van arbeidsrelaties. Daarmee lijkt de focus te verschuiven. Waar de VBAR vooral was gericht op het codificeren van bestaande rechtspraak, richt de Zelfstandigenwet zich nadrukkelijker op de vraag hoe zelfstandig ondernemerschap als zelfstandige arbeidsvorm binnen het arbeidsrechtelijke stelsel kan worden gepositioneerd.

Wat houdt het nieuwe rechtsvermoeden in?

Het nieuwe artikel 7:610aa BW bepaalt dat een persoon die ten behoeve van een ander arbeid verricht tegen een vergoeding van ten hoogste EUR 38 per uur wordt vermoed die arbeid te verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst. Het bedrag wordt periodiek aangepast aan de ontwikkeling van het minimumloon. Het rechtsvermoeden geldt niet wanneer de opdrachtgever een particulier is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het nieuwe rechtsvermoeden van artikel 7:610aa BW heeft vooral procesrechtelijke betekenis. Een werkende die onder de tariefgrens valt, kan zich op het vermoeden beroepen. In dat geval wordt voorshands aangenomen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Vervolgens is het aan de opdrachtgever om aannemelijk te maken dat ondanks het lage uurtarief geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Slaagt de opdrachtgever daarin niet, dan ligt het voor de hand dat de arbeidsrelatie als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt. Juist daarin schuilt de betekenis van de nieuwe wet. Waar voorheen de werkende zelf moest stellen en zo nodig bewijzen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, rust die bewijslast in deze gevallen in beginsel op de opdrachtgever. Het rechtsvermoeden wijzigt daarmee niet de inhoudelijke beoordelingscriteria, maar wel de procespositie van partijen indien het rechtsvermoeden van artikel 7:610aa BW van toepassing is.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor opdrachtgevers betekent de invoering van het nieuwe rechtsvermoeden niet dat iedere zelfstandige onder de tariefgrens automatisch werknemer wordt. De materiële toets blijft ongewijzigd. De vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet nog steeds worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval en de gezichtspunten uit de Deliveroo- en Uber-rechtspraak, zoals gezag, inbedding, ondernemersrisico en ondernemerschap. Wel verandert de procespositie van partijen. Wanneer een werkende onder de tariefgrens zich op het rechtsvermoeden beroept, zal de opdrachtgever aannemelijk moeten maken waarom sprake is van daadwerkelijke zelfstandigheid. Dat maakt het des te belangrijker om niet alleen contractueel, maar ook in de praktijk zorgvuldig vorm te geven aan de arbeidsrelatie. De invoering van het nieuwe rechtsvermoeden laat bovendien zien dat de wetgever de aanpak van schijnzelfstandigheid niet loslaat. Hoewel het kwalificatiekader uit de VBAR niet wordt doorgezet, blijft het streven bestaan om meer duidelijkheid te creëren over de afbakening tussen werknemerschap en zelfstandig ondernemerschap. Het rechtsvermoeden vormt daarvan de eerste concrete wettelijke uitwerking.

Conclusie

Na jaren van politieke discussie is de eerste stap in de hervorming van het zzp-dossier een feit. Het nieuwe rechtsvermoeden van werknemerschap is ingevoerd, terwijl de bredere discussie over de kwalificatie van arbeidsrelaties wordt doorgeschoven naar de toekomstige Zelfstandigenwet. Voor opdrachtgevers verandert het juridische toetsingskader niet, maar wel de procespositie waarin zij terecht kunnen komen wanneer een werkende onder de tariefgrens zich op het rechtsvermoeden beroept. Juist daarom verdient deze nieuwe wet aandacht: niet omdat zij bepaalt wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar omdat zij bepaalt wie dat in een procedure moet bewijzen.

Contact

Mocht u vragen hebben, neem dan gerust contact op met de hieronder vermelde contactpersoon of uw vaste adviseur bij Loyens & Loeff.