De zaak draait om een zogenoemde Liability Management Exercise (LME), te weten een zogeheten up-tiering-transactie waarbij een groep financiers een hogere rang kreeg binnen de financieringsstructuur van Hunkemöller. Volgens de investeringsfondsen zijn zij hierdoor benadeeld en hebben de betrokken bestuurders en aandeelhouders onrechtmatig gehandeld. Zij verzochten de Nederlandse rechter om uitgebreide inzage in interne documentatie en om een voorlopig getuigenverhoor van de betrokken bestuurders.
De rechtbank wees beide verzoeken af. Volgens de rechtbank hadden de fondsen onvoldoende onderbouwd waaruit de vermeende bestuurders- en aandeelhoudersaansprakelijkheid zou blijken. De financiers konden überhaupt niet aannemelijk dat de onderliggende transacties onrechtmatig waren en dat betrokken vennootschappen daarvoor aansprakelijk zijn. Daarbij was relevant dat nog geen oordeel was geveld in de lopende procedures in andere jurisdicties, waaronder de Verenigde Staten.
In de kern oordeelde de rechtbank derhalve dat de verzoeken te prematuur en te speculatief waren. Toewijzing zou volgens de rechtbank neerkomen op een ongeoorloofde fishing expedition; een zoektocht naar mogelijke bewijsstukken zonder voldoende concrete aanwijzingen voor aansprakelijkheid. Om die reden werden zowel het inzageverzoek als het verzoek tot het horen van getuigen afgewezen.
De uitspraak is relevant omdat het voor zover bekend de eerste Nederlandse beslissing is waarin verwijten rond een LME-transactie centraal staan. De zaak illustreert de uitdagingen die benadeelde financiers ook onder het nieuwe bewijsrecht kunnen ondervinden bij het verkrijgen van informatie ter ondersteuning van bestuurders- of aandeelhoudersaansprakelijkheidsclaims in een internationale herstructureringscontext.
Deze publicatie is eerder verschenen in JOR afl. 4, 2026, SDU