Verhoging onbelaste reiskostenvergoeding

Het kabinet stelt voor om de maximaal gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding structureel en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 te verhogen van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. De maatregel codificeert een goedkeurend beleidsbesluit dat is genomen naar aanleiding van de energieschok als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten.

Afschaffing gerichte vrijstelling branche-eigen product

Op dit moment bestaat er een gerichte vrijstelling binnen de werkkostenregeling (WKR) voor korting op branche-eigen producten. De huidige gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten bedraagt maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer, met een maximum van € 500 per werknemer per kalenderjaar. Het kabinet stelt voor deze gerichte vrijstelling per 1 januari 2027 af te schaffen. Werkgevers die (korting op) branche-eigen producten willen blijven geven zonder dat dit bij de werknemer tot belastingheffing leidt, kunnen dit voordeel aanwijzen als eindheffingsloon onder de werkkostenregeling en onder bepaalde voorwaarden onder de vrije ruimte brengen.

De waardering van branche-eigen producten blijft plaatsvinden tegen de waarde in het economische verkeer.  Daarnaast blijft een korting op branche-eigen producten aan oud-werknemers verplicht eindheffingsloon.

Loonbelastingtarieven, heffingskortingen en beperkte indexatie

Het wetsvoorstel bevat de tarieftabellen voor 2027. De eerste twee schijfpercentages worden verhoogd. Tegelijk wordt de arbeidskorting met € 173 verhoogd en de ouderenkorting met € 100 verlaagd. Ook wordt de wettelijke inflatiecorrectie ongeveer gehalveerd. De beperkte indexatie vormt de zogenoemde vrijheidsbijdrage van burgers. De vrijheidsbijdrage voor bedrijven wordt vormgegeven door een verhoging van de Aof-premie.

Geleidelijke versobering youngtimerregeling

Het privégebruik van de auto van de zaak wordt belast via een fiscale bijtelling die is gebaseerd op de cataloguswaarde. Voor zogenoemde youngtimers (auto’s ouder dan 15 jaar) geldt een afwijkende, waarderingsgrondslag van 35% van de waarde in het economische verkeer van de auto. Voor de youngtimerregeling gaat de leeftijdsgrens naar 17 jaar in 2027 en 20 jaar in 2028. Er komt overgangsrecht voor auto’s die uiterlijk per 31 december 2025 ter beschikking stonden aan de werknemer. Het kabinet wil gebruikers meer tijd geven om hun wagenpark of arbeidsvoorwaarden aan te passen.

Bevriezing aftopping pensioengrondslag

De maximale grondslag voor fiscaal gefacilieerde pensioenopbouw in de tweede pijler en lijfrenteopbouw in de derde pijler bedraagt in 2026 € 137.800. Voorgesteld wordt om deze pensioengrondslag van 2027 tot en met 2032 niet te indexeren.

Wijzigingen pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s

Per 1 januari 2027 treedt de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto's in werking zoals deze was opgenomen in het Belastingplan 2026. Op grond hiervan zijn werkgevers een pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd over de cataloguswaarde van een fossiele personenauto die ook voor privédoeleinden ter beschikking staat (hierbij wordt woon-werkverkeer aangemerkt als privégebruik). Op grond van het in het Belastingplan 2026 opgenomen overgangsrecht zijn werkgevers nog geen pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s verschuldigd indien de auto vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking is gesteld. In het Belastingplan 2027 wordt voorgesteld om de looptijd van het overgangsrecht te verlengen van 16 September 2030 tot en met 31 December 2030.

De pseudo-eindheffing van 12% is niet van toepassing op (i) een fossiele personenauto die niet meer dan veertien dagen per kalenderjaar ter beschikking wordt gesteld ter vervanging van een andere auto (bijvoorbeeld in het kader van onderhoud van de auto van de zaak) en (ii)  lesauto’s die worden gebruikt gedurende autorijlessen.

Onder omstandigheden kan de grondslag waarover de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s wordt geheven ook in de pseudo-eindheffing ter zake van de excessieve vertrekvergoeding worden betrokken. Daarom wordt voorgesteld een anticumulatiebepaling op te nemen.

Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups

Het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups omvat een bijzondere fiscale regeling voor werknemersopties van kwalificerende start-ups en scale-ups en beoogt Nederland aantrekkelijker te maken voor innovatieve ondernemingen. De regeling voorziet in een grondslagversmalling op basis waarvan onder voorwaarden slechts 65% van het voordeel uit het aandelenoptierecht of de verkoopwinst van het aandeel als loon in aanmerking wordt genomen. Een tweede belangrijk element van de regeling is de keuze tot uitstel van het heffingsmoment tot het moment van daadwerkelijke vervreemding van de aandelen in plaats van heffing bij uitoefening van de optierechten.

Op 1 april 2026 is het voorstel reeds ter consultatie voorgelegd. Voor meer informatie over deze consultatie verwijzen wij naar: Draft bill on the fiscal stimulation of start-ups and scale-ups opened for public consultation | Loyens & Loeff.

Het huidige voorstel wijkt onder andere op de volgende onderdelen af van het consultatievoorstel van 1 april 2026:

  • De voorgestelde box-3 maatregelen in het kader van deze regeling zijn vervallen. Het wetsvoorstel richt zich nu uitsluitend op werknemersparticipaties in de loonbelasting.
  • De regeling is verruimd voor internationale groepsvennootschappen. Volgens de definitie kunnen ook buiten Nederland gevestigde ondernemingen een beschikking aanvragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om te worden aangemerkt als start-up of scale-up.
  • In verband met Europese staatssteunwetgeving dient het aandelenoptierecht te worden toegekend door een inhoudingsplichtige die voldoet aan de EU-wetgeving.
  • Daarnaast zijn maatregelen aangekondigd voor werknemers in grensoverschrijdende situaties. Het wetsvoorstel bevat een step-up bij immigratie, een heffing bij emigratie met conserverende aanslag en aanvullende maatregelen bij remigratie.
  • Naast opties op aandelen of certificaten in de inhoudingsplichtige zelf, wordt voorgesteld om opties in een kwalificerende moedervennootschap ook onder de regeling te brengen. Een kwalificerende moedervennootschap heeft een direct of indirect belang van 50% in de inhoudingsplichtige. Zowel de inhoudingsplichtige als de moedervennootschap dienen een beschikking aan te vragen bij RVO.
  • In het huidige voorstel mogen de opties of verkregen aandelen gedurende een periode van twee jaar na toekenning niet worden vervreemd met uitzondering van een eerdere verkoop of beursgang van de onderneming.
  • De grondslagversmalling tot 65% geldt alleen over het deel van de waardeontwikkeling van de aandelen dat uitgaat boven de waarde in het economische verkeer van de onderliggende aandelen op het moment van toekenning (een zogenaamde ‘in the money’-optie).
  • Naast werknemers met een lucratief belang worden in het huidige voorstel ook werknemers met een aanmerkelijk belang uitgesloten van de regeling.

Hoewel het wetsvoorstel, net als het consultatievoorstel, een definitie bevat van een start-up of scale-up, blijft het toetsingskader onduidelijk en ontbreken concrete criteria waaraan ondernemingen vooraf kunnen toetsen of een beschikkingsaanvraag bij RVO succesvol is.

De voorstellen die in dit artikel worden genoemd dienen nog te worden behandeld en goedgekeurd door het parlement en kunnen dus onderhevig zijn aan veranderingen.

Contact

Heeft u na het lezen van dit nieuwsbericht behoefte aan een nadere toelichting op een of meer onderwerpen? Of heeft u interesse in een vrijblijvend kennismakingsgesprek? Neem dan contact op met uw Loyens & Loeff-adviseur of met een van onze adviseurs van het team Rewards & Benefits. Wij helpen u graag verder.