You are here:
18 oktober 2018 / artikel

Publicatie evaluatierapport: amicus curiae en de bestuursrechter, ‘vrienden voor het leven’?

Vorig jaar is in het bestuursrecht voor het eerst geëxperimenteerd met het ‘instrument’ van de amicus curiae (‘vriend van de rechtbank’).

new eu mandatory disclosure rules for intermediaries

In drie zaken kregen ‘meedenkers’ van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de kans om op te treden als informanten.

Het doel dat (de Voorzitter van) de Afdeling met dit experiment nastreeft, is enerzijds het vergroten van de kwaliteit van het proces van rechtsvorming. Anderzijds zou de input uit de maatschappij de legitimiteit van bestuursrechtelijke uitspraken moeten bevorderen.

Afgelopen dinsdag publiceerde de Afdeling op haar website een behoorlijk lijvig rapport met een evaluatie naar aanleiding van de eerste opgedane ervaringen. Wij schetsen in dit blog enkele van de meer in het oog springende bevindingen en aanbevelingen uit de evaluatie.

Algemene schets van de bevindingen

Zoals gezegd, is de hoop c.q. de verwachting van de Afdeling dat de inbreng van amici bijdraagt aan een hogere kwaliteit van rechtsvorming en het vergroten van de legitimiteit van de bestuursrechtspraak. Ten aanzien van het behalen van deze doelstellingen zijn de drie Tilburgse onderzoekers terughoudend in hun conclusies.

Dit lijkt ons terecht. Er is pas in drie zaken ervaring opgedaan en dus maar beperkte informatie beschikbaar. Onder die omstandigheden past terughoudendheid.

Met die (stevige) slag om de arm signaleren de onderzoekers in hun rapport onder meer het volgende:

(a) de inzet van het instrument an sich werd door niemand in twijfel getrokken. Voor zover aanwezig, richtten kritische geluiden zich op de inzet van het instrument in een specifieke concrete zaak, niet zozeer tegen het bestaansrecht van het instrument als zodanig;
(b) de ‘amicusbrieven’ (en de inhoud daarvan) werden door betrokkenen, een enkele uitzondering daargelaten, positief beoordeeld; en
(c) de vooraf gevreesde negatieve bijwerkingen van het instrument hebben zich niet gerealiseerd, althans niet in die mate dat dat als problematisch werd ervaren.

Ten aanzien van de hiervoor onder (c) genoemde gevreesde negatieve bijwerkingen, is noemenswaardig dat de ‘verwachte stortvloed van reacties’ bij de toepassing van het instrument via een openbare internetconsultatie uitbleef. Ook werd de (beperkte) verlenging van de beroepsprocedures door (proces)partijen niet als negatief ervaren.

Een deel van de ondervraagden gaf aan wel enige mate van ‘lobbyisme’ te ervaren. Dit was aanvankelijk in de literatuur een van de voornaamste bezwaren, gevreesd werd dat belanghebbende partijen zouden trachten de rechtsvorming via hun amicusbrieven te beïnvloeden. De algemene teneur (onder staatsraden) is echter dat deze bijwerking door middel van een ‘kritische rechterlijke blik’ en een ‘prudente processuele inbedding’ goed valt te hanteren. Daarnaast bleek dat amici in hun inbrengen lang niet altijd de ‘gekleurde positie’ naar voren brachten die wellicht op voorhand wel van hen werd verwacht.

Processuele inbedding; enkele concrete voorstellen van de onderzoekers

Hoewel het nog te vroeg is voor een definitief oordeel, is er volgens de onderzoekers aanleiding voor optimisme waar het de beoogde doelstellingen van de amicus curiae betreft. Een aantal zaken behoeft volgens hen echter nadere ‘doordenking’. In dat kader bevat het evaluatierapport de nodige (concrete) aanbevelingen ter verbetering.

Voor (markt)partijen lijken ons met name de volgende aanbevelingen van belang:

(a) Open internetconsultatie als uitgangspunt voor het inschakelen van de amicus curiae;
(b) Openbaarmaking van ingediende amicusbrieven, met naam en toenaam, op de website van de Raad van State, ter vergroting van de transparantie;
(c) Procespartijen dienen een termijn van vier (4) weken te krijgen om te reageren op het voornemen de amicus curiae in te schakelen, inclusief de voorgestelde vraagstelling en uitnodigingsbeleid;
(d) Na ontvangst van de amicusbrieven krijgen procespartijen vier (4) weken de tijd om daarop te reageren. Amici krijgen die gelegenheid niet.

Los van het voorgaande is de belangrijkste aanbeveling in het rapport naar onze mening de aanbeveling om het experiment met de amicus curiae voort te zetten. Wij onderschrijven in dit verband van harte het pleidooi voor een verdere uitwerking en inbedding van dit experiment door middel van best practices.

Voor (markt)partijen is van belang dat zij op voorhand duidelijkheid hebben over hun (proces)positie. Het ligt om die reden, wat ons betreft, evenzeer voor de hand om, op de iets langere termijn, de opgedane best practices in een procesregeling voor de Afdeling, de CRvB en het CBb te codificeren en om in de Awb expliciet te voorzien in een bevoegdheid voor de hoogste bestuursrechters om de amicus curiae in te schakelen.

En nu: ‘kameraden tot de laatste dag’?

Samenvattend kunnen we – voorzichtig – constateren dat de voortekenen voor de band tussen bestuursrechter en de amicus curiae positief zijn. Het is daarbij nog wel even afwachten of, en zo ja, welke van de hiervoor genoemde aanbevelingen daadwerkelijk door de Afdeling zullen worden overgenomen.

Voor (markt)partijen betekent deze evaluatie, naar alle waarschijnlijkheid, dat zij ook in de (nabije) toekomst geconfronteerd zouden kunnen worden met de inbreng van amici gedurende een procedure, of dat zij zelf van die mogelijkheid gebruik kunnen maken.

Wij raden u in ieder geval aan (de website van) de Afdeling goed in de gaten te houden. Wie weet, komt daar een onderwerp voorbij ten aanzien waarvan u de Afdeling van nuttige inbreng kunt voorzien.

Wilt u meer weten over de amicus curiae, of over (betrokkenheid bij) procedures voor de (hoogste) bestuursrechter(s)? Neem gerust contact op met Jan de Heer, Bas Megens of uw vaste Loyens & Loeff adviseur.