You are here:
14 november 2019 / nieuws

Proeftijdontslag bij verzoek tot deeltijd werken zwangere werkneemster

Het College voor de Rechten van de Mens (het College) buigt zich over de vraag of er bij een proeftijdontslag wegens een verzoek tot in deeltijd werken van een zwangere werkneemster sprake is van discriminatie op grond van zwangerschap/geslacht.

Wat speelde er in deze zaak?

De werkneemster trad op 5 februari 2019 in dienst van een bedrijf op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zeven maanden. De arbeidsduur bedroeg 40 uur per week en er gold een proeftijd van twee maanden. Voor de aanvang van het dienstverband had de werkneemster de werkgever op de hoogte gebracht van haar zwangerschap. Een maand na indiensttreding vertelde de werkneemster haar werkgever dat ze na haar zwangerschapsverlof in deeltijd wilde gaan werken. Op 3 april, een dag voor het einde van de proeftijd, heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd, omdat de werkneemster door het verminderen van haar arbeidsduur minder flexibel zou zijn. Met het functioneren van de werkneemster had de opzegging tijdens de proeftijd niets te maken.

De werkneemster is van mening dat er sprake is van discriminatie op grond van zwangerschap/geslacht. De werkgever betwist dit en stelt dat hij de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden omdat een getrouwd familielid van de werkgever verliefd was geworden op de werkneemster. Dit zorgde voor problemen in het bedrijf. De werkgever gaf een andere reden op, omdat hij het gevoel had dat hij de werkneemster zou vernederen als hij de werkelijke reden zou noemen.

Onderscheid op grond van geslacht bij opzegging

Een werkgever mag geen direct of indirect onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Onder direct onderscheid op grond van geslacht wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap en moederschap (artikel 7:646 lid 1 en 5 BW). Tijdens de proeftijd kan een arbeidsovereenkomst worden opgezegd zonder dat hiervoor een redelijk grond aanwezig hoeft te zijn, maar de werkgever mag deze bevoegdheid niet misbruiken. Er is sprake van misbruik als moet worden aangenomen dat de reden voor de beëindiging berust op discriminatie.

Oordeel College: geen discriminatie

Het College oordeelt dat uit art. 7:646 BW geen recht voortvloeit op het werken in deeltijd en dat een werkgever daarom geen onderscheid maakt naar geslacht als hij een verzoek tot minder te werken niet honoreert of als dit verzoek reden is om de arbeidsovereenkomst in de proeftijd op te zeggen. Dat de werkneemster minder wil gaan werken omdat zij straks moeder is, is onvoldoende om aan te nemen dat de werkgever onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Het College komt tot het oordeel dat de werkgever geen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door de arbeidsovereenkomst met de werkneemster in de proeftijd op te zeggen.

Belang voor de praktijk

In principe is het “in deeltijd willen werken” niet gebonden aan iemands sekse. Echter is het een feit dat in Nederland meer vrouwen dan mannen parttime werken. Een proeftijd ontslag wegens de wens om in deeltijd te willen gaan werken zal dus vaker vrouwen dan mannen raken. Ondanks het oordeel van het College blijft het van belang om bij een (proeftijd)ontslag stil te staan bij de daadwerkelijke gronden voor dit ontslag, om zo het vermoeden van indirecte discriminatie te voorkomen.


Wijzigen van pensioenregeling

Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat een onvoorwaardelijke toeslagregeling niet is te wijzigen zonder de instemming van de deelnemers. lees meer

Invoering webmodule beoordeling ZZP-ers

Vanaf januari 2021 komt een webmodule als pilot beschikbaar, waarmee de arbeidsrelatie met zelfstandigen voor de loonheffingen kan worden getoetst. lees meer

Hoge Raad zet streep door de partijbedoeling

Er is bevestigd dat voor de beoordeling of een overeenkomst al dan niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst de partijbedoeling geen rol speelt. lees meer