You are here:
18 oktober 2018 / nieuws

HealthBit: Voorzitter zorgstichting aansprakelijk voor loonbelastingschulden door passieve houding

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 juli in hoger beroep geoordeeld dat de bestuurder (X) terecht aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van €117.417 aan onbetaalde loonbelastingschulden van een stichting, op grond van artikel 36 IW 1990.

European Commission scrutinises competition issues in bank loan syndication

X was van september 2013 tot en met mei 2015 voorzitter van een stichting die re-integratietrajecten van sociaal achtergestelde begeleidde. Hij was gezamenlijk met de andere bestuurders bevoegd. De stichting heeft de aan haar opgelegde loonheffingen niet afgedragen en ook geen melding gemaakt van betalingsonmacht. Het geschil heeft betrekking op de vraag of de ontvanger X terecht aansprakelijk heeft gesteld voor deze loonbelastingschulden.

Uit artikel 36 van de IW 1990 volgt dat een lichaam verplicht is om onverwijld nadat betalingsonmacht is gebleken, dit te melden aan de ontvanger. Het vierde lid van dit artikel bepaalt vervolgens dat, indien de betalingsonmacht niet rechtsgeldig gemeld is, er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dit heeft tot gevolg dat bestuurders ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de loonbelastingschulden van i.c. de stichting . Tot de weerlegging van het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn meldingsverplichting heeft voldaan.

X stelde zich op het standpunt dat het hem inderdaad niet kon worden verweten dat de stichting niet aan zijn meldingsverplichting heeft voldaan. Hiertoe voerde hij aan dat hij diverse malen inzage had gevraagd in de gang van zaken rond de Stichting, maar dat hij steeds door directeur (B) gerustgesteld werd met de mededeling dat alles goed ging. Na tekenen dat het toch niet goed ging, heeft X geadviseerd een manager en een accountant in dienst te nemen. Dat dit niet is gebeurd, was volgens X niet aan hem te wijten.

Het Hof heeft dit verweer verworpen. Er werd hierbij overwogen dat X niet wist wie de financiële gang van zaken regelde of wie de boekhouding deed, niet wist hoeveel personen er in dienst waren en nooit op het kantoor van de stichting is geweest. Verder was van belang dat X genoegen nam met de mondelinge informatie van een andere, niet financieel deskundige, bestuurder, zelfs nadat deze informatie onjuist bleek te zijn. Door zich nagenoeg volledig afzijdig te houden heeft X niet gehandeld als redelijk handelend bestuurder en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dat niet aan hem te wijten is dat de Stichting niet aan zijn meldingsverplichting heeft voldaan.

X heeft nog gesteld dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel en het verbod op willekeur doordat de Ontvanger alleen hem aansprakelijk heeft gesteld en niet de andere bestuurders van de stichting. Dat verweer is door het Hof ook verworpen. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat van de overige bestuurders er twee geen verhaal lijken te bieden en een andere bestuurder mogelijk nog aansprakelijk wordt gesteld omdat de Ontvanger informatie had ontvangen over mogelijke verhaalsmogelijkheden in het buitenland.

 

Heeft u vragen over dit artikel? Neem gerust contact op met Ralph Ferouge of uw vaste Loyens & Loeff adviseur.

Volg onze Showcase Page op LinkedIn om ook daar op de hoogte gehouden te worden van nieuwe HealthBits.