You are here:
10 juli 2020 / nieuws

De hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord - Voor oordeel ‘Invaren kan’ is het nog te vroeg

De hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord is veelbelovend. Op de juiste wijze invaren is echter een voorwaarde voor succes. Voor de conclusie ”invaren kan” is het echter nog veel te vroeg. Er zijn te weinig afspraken gemaakt voor de transitieperiode. Enerzijds zijn de uitstelmogelijkheden voor pensioenkorting onder het huidige FTK-stelsel te beperkt in tijd (2021) en in dekkingsgraad (90%). Daarnaast is de hoogte van de te hanteren ‘transitierente’ ter vaststelling van de waarde van de in te varen pensioenen uiteindelijk beslissend.

De hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord is veelbelovend. Het nieuwe stelsel biedt, zoals ABP-voorzitter Corien Wortmann-Kool aangaf in ‘Huidig pensioenstelsel is doodlopende weg’ in pensioen pro d.d. 29 juni 2020, verlossing van huidige risicovrije rekenrente (voorkomen van kortingen) en de mogelijkheid pensioenen eerder te verhogen. Op de juiste wijze invaren is echter een voorwaarde voor succes.

Voor de conclusie ”invaren kan” is het echter nog veel te vroeg. Er zijn te weinig afspraken gemaakt voor de transitieperiode. Enerzijds zijn de uitstelmogelijkheden voor pensioenkorting onder het huidige FTK-stelsel te beperkt in tijd (2021) en in dekkingsgraad (90%). Daarnaast is de hoogte van de te hanteren ‘transitierente’ ter vaststelling van de waarde van de in te varen pensioenen uiteindelijk beslissend. Indien ‘te weinig’ rekening mag worden gehouden met reële toekomstige rendementen, bestaat al snel geen of te weinig ruimte voor de compensaties voor niet ontvangen indexaties in de afgelopen jaren en voor de financiering afschaffing van de doorsneepremie.

Toch valt nu al in de hoofdlijnennotitie te lezen dat het procesrisico van het invaren van de pensioenen in het nieuwe stelsel als zeer beperkt wordt gezien. Het geheel voorwaardelijk maken van de pensioenen (de beleggingsrisico’s komen bij het individu te liggen) is een gerechtvaardigde aantasting van het eigendomsrecht dat beschermd is in artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 EU-Handvest. Dat maakt het nieuwe systeem met andere woorden juridisch houdbaar.

Klaarblijkelijk heeft “invaren kan” het wetenschappelijk klankbord van de stuurgroep gepasseerd. Het is ook in lijn met het eerdere netsparrapport ‘compensatie bij afschaffing doorsneesystematiek’ van 19 november 2019. Wat opvalt is dat de transitieperiode kennelijk geen prominente rol speelt in dit juridische vraagstuk. ‘Invaren kan’ is eenzijdig gebaseerd op het algemeen belang (modernisering van het stelsel).

Onmiskenbaar hebben lidstaten zoals Nederland ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van (her-)vorming van het pensioenstelsel. Dat geldt zeker door de extreem gewijzigde arbeids- en financiële marktsituatie. Niets doen is welhaast geen optie. Aangezien solidariteit en collectiviteit belangrijke pijlers blijven, is uniforme pensioenuitvoering (één systeem) noodzakelijk. Dat vereist invaren. Wie kan daarop iets afdingen?

Maar, hoe aanzienlijk het algemeen belang in al haar facetten ook is, het dienen van dat belang mag geen onevenredig nadeel voor het individu meebrengen (‘fair balance’). Anders is dus wel sprake van een onrechtmatige aantasting van het eigendomsrecht. Niet goed valt daarom te begrijpen waarom de disproportionaliteitstoets wegens de zeer casuïstische aard, niet, zelfs niet op hoofdlijnen, is besproken maar wel is erkend als rechtsbeginsel. Het nadeel van invaren mag niet onevenredig zijn.

Dat betekent dat juist de transitieperiode van belang is. Het vergt weinig voorstellingsvermogen dat pensioenkortingen tot en met 2026 of het ontbreken van compensatieruimte, het vereiste rechtvaardig evenwicht kan doen wankelen. Met de transitie naar het nieuwe stelsel is nu juist beoogd dat te voorkomen. Waarom zou het volledig voorwaardelijk maken van de pensioenen middels invaren (‘het offer’) nog gerechtvaardigd zijn indien een groot deel van het probleem in het huidige stelsel zich al heeft voltrokken (kortingen en gemis indexatie)? Evenwicht tussen de maatregel van invaren en een reeds gesneuveld legitiem doel is dan mogelijk niet goed denkbaar. Dat maakt ieder offer al snel onevenredig. Verbetering van het pensioenperspectief weegt daarvoor mogelijk niet zwaar genoeg. Voorstelbaar is dat een huidige dekkingsgraad van 85% tegen bijvoorbeeld een projectierendement in het nieuwe stelsel van 2%, een waarde van 114% wordt. Dat is dan een belangrijke rechtvaardiging van het invaren. Er ontstaat 14% compensatieruimte. Die rechtvaardiging staat direct onder druk indien in de transitieperiode kortingen worden doorgevoerd op basis van 85% (zonder compensatie). En dat kan beslissend zijn voor de rechtmatigheidstoets.

Er is nog geen optimistische conclusie over invaren mogelijk. Dat vereist het juiste compromis voor de transitieperiode. Dat is enerzijds eenvoudig maar tegelijkertijd complex. Voorkomen moet worden dat de huidige dekkingsgraadproblematiek iedere oplossing achterhaalt. Tegelijkertijd moeten bandbreedten worden bedacht die evenwichtig recht doen aan de belangen van jongeren, jonge ouderen en ouderen. Dat is complex. Voor gepensioneerden komt de oplossing laat. Het uitblijven van indexatie sinds 2007 maakt hun belang groot. Verbetering van het pensioenperspectief weegt daar niet zomaar tegen op. Zoals in ‘Invaren: De laatste grote herverdeling’ in pensioen pro d.d 29 juni 2020 is vermeld, geldt dat als de nieuwe regels vanaf 2007 zouden zijn toegepast, de pensioenen al vanaf die datum verhoogd hadden kunnen worden. Kamerlid Corrie van Brenk stelt zelfs: “Is het niet logisch dat we die rendementen dan ook gaan uitdelen?” Dit is natuurlijk wel de andere kant van het uiterste. Onmiskenbaar is dit voor hen een belangrijk aandachtspunt en dus ook voor de juridische houdbaarheid van het invaren.

Het draait dus eigenlijk opnieuw om het wel of niet vasthouden aan het arm rekenen volgens de “rottige” risicovrije rekenrente. Indien onvoldoende bereidheid bestaat ‘vooruit te lopen op het nieuwe stelsel’ en hantering van het juiste projectierendement, heeft dat een zeer nadelig effect. Dat maakt de juridische houdbaarheid van het invaren echt onvoorspelbaar. En een schadevergoedingsplicht op dit nationale pensioendossier is niet te onderschatten. Overigens is verlaging van de pensioenen in het huidige stelsel ook beslist niet gevrijwaard van procesrisico zoals reeds in ‘Korten met deze rekenrente lijkt Europees gezien niet evenwichtig’ in pensioen pro d.d. 25 mei 2020 is besproken.



Belgian Constitutional Court decides on Fairness Tax

Employment & Benefits Update – Q3 2018

Employment & Benefits Update. lees meer