You are here:
05 februari 2019 / nieuws

Annotatie JAR - Prejudiciële vraag Hoge Raad over toepasselijkheid Detacheringsrichtlijn

De Hoge Raad heeft op 23 november 2018 besloten om in een tweetal zaken prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(ECLI:NL:HR:2018:2174 en ECLI:NL:HR:2018:2165).

Bij deze eerste zaak schreef Edith Franssen al een annotatie bij de uitspraak in hoger beroep van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch van 2 mei 2017 (JAR 2017/151). Nu heeft zij ook een annotatie geschreven bij de uitspraak van de Hoge Raad.

Lees de noot hieronder of klik hier voor de uitspraak inclusief annotatie, gepubliceerd in het tijdschrift Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR 2018/314) van uitgever Sdu.

Noot

Daar zijn ze dan: de eerste uitspraken van de Hoge Raad in het grensoverschrijdend wegtransport. Althans voor zover het gaat om de vraag welk arbeidsrecht toepasselijk is. De eerste zaak betreft het geding tussen FNV enerzijds en Van den Bosch en Silo-Tank (Hongaarse vennootschap) anderzijds. De tweede zaak betreft het geding tussen een aantal Hongaarse chauffeurs tegen Silo-Tank. In deze noot zal ik met name de belangrijkste prejudiciële vragen bespreken en de laatste stand van zaken met betrekking tot de aparte detacheringsrichtlijn voor het grensoverschrijdend wegtransport.

Wat vooraf ging

Beide zaken begonnen bij de Kantonrechter Den Bosch. Zie mijn annotatie bij «JAR» 2015/29. Vervolgens gingen beide partijen in hoger beroep. In mijn annotatie («JAR» 2017/151) gaf ik al aan dat er (vanuit werkgeversoogpunt) niet te vroeg gejuicht moest worden omdat het oordeel van het hof ook nog wel wat vragen opriep.

Het geding van de Hongaarse chauffeurs tegen Silo-Tank

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ze vond dat Hongarije het gewoonlijke werkland was of in ieder geval het land was waarmee de arbeidsovereenkomst het nauwst verbonden was. De Hoge Raad vindt dat het Hof de criteria van het Koelzsch-arrest (gewoonlijk werkland) en het Schlecker-arrest (nauwere band) onvoldoende duidelijk heeft toegepast en verwijst de zaak terug naar het hof.

Het geding tussen FMV en Van den Bosch/Silo-Tank

In dit geding worden door de Hoge Raad (gelukkig) een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU. Een aantal van die vragen was ook door de AG voorgesteld. De belangrijkste vraag lijkt mij of de Detacheringsrichtlijn ook geldt voor de chauffeur in het internationaal wegvervoer die in meerdere lidstaten werkt. Met de AG verwacht ik dat het antwoord op deze vraag ontkennend zal luiden. In zijn algemeenheid geeft het HvJEU een ruime uitleg van communautaire wetgeving, mede om de volle werking daarvan te bevorderen. Uitzonderingen en uitsluitingen worden daarentegen restrictief uitgelegd. In art. 1 lid 2 van de Detacheringsrichtlijn is enkel een uitzondering opgenomen voor zeevarend personeel van koopvaardijschepen. Ook is momenteel een prejudiciële verwijzing aanhangig waarin wordt gevraagd welke van de detacheringsvarianten genoemd in art. 1 lid 3 van toepassing is op de beschikbaarstelling van rijdend personeel op internationale treinen (Zaak C-16/18). De verwijzende Oostenrijkse rechter gaat er kennelijk van uit dat deze werknemers niet van de werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten. Interessanter lijkt mij daarom de vraag aan de hand van welke maatstaf of gezichtspunten bepaald wordt of de chauffeur op het grondgebied van een lidstaat ter beschikking wordt gesteld in de zin van art. 2 lid 1 van de Detacheringsrichtlijn. Er zal dan in de eerste plaats een gewoonlijk werkland vastgesteld moeten worden, om vervolgens te bepalen wanneer de chauffeur “gedurende een bepaalde periode” in een andere lidstaat werkt. De prejudiciële vraag of e.e.a. verschil maakt indien de terbeschikkingstelling in concernverband geschiedt lijkt mij minder van belang. Het gaat erom dat vastgesteld kan worden waar de chauffeur tijdelijk en gewoonlijk werkt. Dat dit in concernverband geschiedt lijkt mij hooguit van belang om vast te stellen in hoeverre de werkgever van de chauffeurs nu een “echte” werkgever is of alleen maar een werkgever op papier. Ook de vraag of de internationale chauffeur tijdelijk in een andere lidstaat werkt als hij cabotagevervoer verricht lijkt mij eigenlijk al beantwoord. Immers, in overweging 17 van de preambule van de cabotageverordening (Vo. 1072/2009) staat al dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing is in geval van cabotagevervoer. De AG vroeg nog of er nadere criteria of elementen zijn die in acht moeten worden genomen om vast te kunnen stellen dat de arbeidsverhouding van de chauffeur een voldoende nauwe band heeft met een lidstaat om aldaar toepassing te moeten geven aan de ‘harde kern’ van arbeidsvoorwaarden die in de Detacheringsrichtlijn worden genoemd.Deze vraag vind ik opmerkelijk omdat het “nauwe band criterium” niets te maken heeft met de Detacheringsrichtlijn, maar met Rome I. Als de arbeidsovereenkomst een nauwe band heeft met een bepaalde lidstaat, dan is het dwingend recht van die lidstaat van toepassing. En dat is veel meer dan alleen maar de harde kern van de Detacheringsrichtlijn.

Stand van zaken wetgevingsproces

Intussen ligt het Europese wetgevingsproces op dit gebied stil. In mei 2017 presenteerde de Europese Commissie een voorstel voor een specifieke regeling voor het internationaal wegtransport (COM(2017) 278 def.). De aparte regeling zou alleen gelden als sprake is van een detachering in de zin van art. 1 lid 3 sub a van de Detacheringsrichtlijn. Het grensoverschrijdend wegtransport dat onder één van de twee andere vormen van detachering valt blijft dus onder de gewone regels van de Detacheringsrichtlijn vallen. Het blijft onduidelijk wat de reden hiervan is. In het voorstel van de Commissie wordt een tijdsdrempel ingesteld, waarbij het minimumloon en de minimale jaarlijkse betaalde vakantie van de gastlidstaat pas van toepassing worden zodra die drempel wordt overschreden. Als de periode waarin de chauffeur ter beschikking is gesteld, korter is dan of even lang is als 3 dagen in één kalendermaand, blijft het wettelijk minimumloon en minimum aantal betaalde vakantiedagen van het oorsprongsland gelden. Is de periode van terbeschikkingstelling langer dan 3 dagen, te rekenen over één kalendermaand, dan geldt het minimumloon en minimum aantal vakantiedagen van de gastlidstaat over die hele maand. De tijdsdrempel zou moeten gelden voor zover het gaat om internationale vervoersactiviteiten zoals gedefinieerd in de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en 1073/2009. De tijdsdrempel dient niet van toepassing te zijn op cabotage zoals gedefinieerd bij de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en 1073/2009, aangezien de volledige vervoersoperatie in geval van cabotage plaatsvindt in een gastlidstaat. Het voorstel is echter niet verder gekomen dan de fase van de eerste lezing. Binnen het Europees Parlement (EP) wordt gewerkt met zogenaamde parlementaire commissies. Op grond van art. 54 van het Reglement, kan het voorkomen dat een bepaald thema in twee commissies behandeld wordt. Dat is hier ook gebeurd. Het gaat om de commissies Werkgelegenheid en Sociale Zaken (EMPL) en de commissie Vervoer en Toerisme (TRAN). De commissie TRAN en EMPL hebben amendementen op het voorstel van de Europese Commissie aangebracht. Op grond van art. 47 lid 1 van het Reglement wordt een voorstel voor een juridisch bindende handeling door de voorzitter van het EP verwezen naar de bevoegde commissie. De bevoegde commissie is in dit geval de commissie TRAN. De bevoegde commissie maakt dan een wetgevingsverslag. Dit wetgevingsverslag kan o.a. amendementen op het voorstel bevatten (art. 49 lid 3 sub a van het Reglement). Als een commissie een wetgevingsverslag heeft goedgekeurd kan zij met een meerderheid van haar leden besluiten om op basis van dat verslag onderhandelingen te beginnen (art. 69 quater lid 1 van het Reglement). Maar het EP kan een dergelijk besluit van die commissie verwerpen (art. 69 quater lid 3 van het Reglement). In dat geval zal het EP als geheel stemmen over de door de bevoegde commissie aangebrachte amendementen (art. 59 lid 4 van het Reglement). Dat is bij deze twee wetgevingsvoorstellen nu ook gebeurd. Op 4 juli 2018 heeft het EP de door de commissies EMPL en TRAN aangebrachte amendementen verworpen. Op 28 november 2018 is er een nieuw voorstel gedaan door de Raad van de EU (14802/18). Dat voorstel zal de basis gaan vormen voor onderhandelingen tussen de Raad en het Europees Parlement. De vraag is nu of het HvJ EU hierop gaat wachten op hervatting van dat wetgevingsproces of toch alvast een voorzet gaat geven. Het blijft dus spannend.