You are here:
31 juli 2018 / artikel

Annotatie JAR – Internationaal transport en de Detacheringsrichtlijn

De uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2018 betreft de reikwijdte van de bedingplicht in de Cao Beroepsgoederenvervoer.

go left

De uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:6962) betreft de reikwijdte van de bedingplicht in de Cao Beroepsgoederenvervoer. In de annotatie bij deze uitspraak gaat Edith Franssen in op de juridische aspecten die speelden in deze zaak. Zij beargumenteert dat bij de vraag of de Detacheringsrichtlijn van toepassing is, gekeken moet worden hoeveel tijd er gereden wordt in Nederland.

Klik hier voor de uitspraak inclusief annotatie, gepubliceerd in de JAR (JAR 2018/220) van uitgever Sdu.

Noot

Deze uitspraak is een vervolg op de uitspraak van de Voorzieningenrechter Kantonrechter Assen («JAR» 2017/84). De voorzieningenrechter bepaalde in die zaak o.a. dat Trans Holland de charterbepaling van art. 73 van de Cao Beroepsgoederenvervoer moest toepassen. Deze charterbepaling stelt drie eisen. Ten eerste moet het gaan om overeenkomsten van onderaanneming die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van werkgever worden uitgevoerd. Ten tweede geldt de bedingplicht alleen als dat voortvloeit uit de Detacheringsrichtlijn. Ten derde moet het niet zo zijn dat de arbeidskrachten al rechtstreeks onder de hele cao vallen. Het is dus een kwestie van nagaan of aan deze voorwaarden is voldaan.

De voorzieningenrechter vond dat de Poolse en Moldaafse vestigingen van Trans Holland in feite “als een verlengstuk” van de Nederlandse vestiging moesten worden beschouwd. Daarom vond de voorzieningenrechter dat “de tussen partijen in geschil zijnde vraag of de charterbepaling van art. 73 lid 1 van de Cao al dan niet van toepassing is, in het kader van dit kort geding in het midden kan blijven” (ov. 5.12.). Begrijp ik het goed, dan heeft de voorzieningenrechter hiermee bedoeld dat de Poolse en Moldaafse vestiging dusdanig weinig “substance” hadden dat de werkgever van de buitenlandse chauffeurs eigenlijk gewoon de Nederlandse vestiging van Trans Holland was. De rechter zegt dat niet letterlijk, maar het blijkt mijns inziens uit het feit dat hij de charterbepaling kennelijk niet relevant achtte. Immers, als men zelf de werkgever is van een aantal werknemers, hoeft men natuurlijk geen onderaannemingsovereenkomst met een andere onderneming te sluiten om diezelfde werknemers te laten werken. Redenerend vanuit de drie voorwaarden zoals ik die hierboven noemde, denk ik dat de voorzieningenrechter vond dat aan de uitzonderingsbepaling van art. 73 lid 3 was voldaan. Maar dan zou de gehele cao dus toegepast moeten worden op de buitenlandse werknemers en niet alleen de basisarbeidsvoorwaarden. Toch oordeelde de voorzieningenrechter in zijn dictum dat Trans Holland alleen maar erop hoefde toe te zien dat de Poolse en Moldaafse vestigingen de basisarbeidsvoorwaarden toekenden aan hun chauffeurs. Dat sluit echter niet aan bij de benadering waarbij Trans Holland in feite als de werkgever van de Poolse en Moldaafse chauffeurs wordt gezien. Mijns inziens had FNV daarom in hoger beroep op zijn minst moeten betogen dat Trans Holland de hele cao had moeten toepassen, gezien het feit dat de voorzieningenrechter vond dat de buitenlandse vestigingen eigenlijk geen rol van betekenis speelden. Dat heeft FNV echter, voor zover ik zie, niet gedaan.

Het hof neemt in hoger beroep tot uitgangspunt dat de charterbepaling van toepassing is, mits de bedingplicht voortvloeit uit de Detacheringsrichtlijn. Daarmee wordt in feite bedoeld dat er sprake moet zijn van detachering in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Het hof vindt daartoe relevant of er sprake is van “een zodanig nauwe band van het vervoer met het Nederlandse grondgebied dat gezegd kan worden dat de buitenlandse chauffeurs door hun (Poolse en Moldaafse) werkgever op het Nederlandse grondgebied aan Brinkman ter beschikking zijn gesteld.” De Detacheringsrichtlijn geeft een definitie van het begrip “ter beschikking gesteld, en wel in artikel 2 lid 1. Het moet dan gaan om een werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een lidstaat die niet de staat is waar de werknemer gewoonlijk werkt. Waarschijnlijk heeft het hof willen aansluiten bij hetgeen het gerechtshof Den Bosch zei in het Van den Bosch-arrest («JAR» 2017/151), namelijk dat de Detacheringsrichtlijn mede ziet op “nationaal, dat wil zeggen het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die lidstaat uitgevoerde charters” (ov. 3.16.5 van dat arrest). Met andere woorden: er moet wat langere tijd in de tijdelijke lidstaat gewerkt worden. Hoe lang is echter onduidelijk en wordt ook in onderhavig arrest niet duidelijk. Het hof vindt in elk geval dat er in casu sprake is van wat langere tijd werken in Nederland, maar geeft daar wel een uiterst magere onderbouwing van. Er is één verklaring van een Poolse chauffeur die zegt dat het vervoer altijd in Nederland begon en eindigde en verder baseert het hof zich op de bevindingen van de ILT dat de planning en organisatie van het vervoer en de aansturing van de buitenlandse chauffeurs plaatsvindt onder regie en gezag van de Nederlandse vestiging.

Verder is het hof met de voorzieningenrechter van mening dat de buitenlandse ondernemingen “feitelijk geen rol vervullen bij het chartervervoer, maar alles wordt geregeld door en vanuit Brinkman in Nederland” (ov. 5.22). Maar dat zegt nog steeds niks over de vraag of er langere tijd in Nederland wordt gewerkt. Sterker nog, de voorzieningenrechter had al vastgesteld dat de buitenlandse chauffeurs reden op het traject Scandinavië-Emmen. Er kan dan per definitie niet lang in Nederland zijn gereden, aangezien Emmen al in het noordoosten van Nederland ligt en de chauffeurs waarschijnlijk via Duitsland doorreden naar Scandinavië (dat is althans de meest logische route). En vanaf Emmen is het slechts pakweg 30 kilometer tot de Duitse grens. Het lijkt er dus veeleer op dat de Detacheringsrichtlijn en de Rome I Verordening door elkaar worden gehaald. Als je van mening bent dat er vanuit Nederland wordt gewerkt, zoals de voorzieningenrechter en het hof in deze zaak, dan gelden op grond van art. 8 lid 2 Rome I gewoon de dwingende bepalingen van Nederlands recht, en ook de algemeen verbindend verklaarde cao. Maar dan moet dus niet de charterbepaling toegepast worden, want die veronderstelt een detacheringssituatie, waarbij slechts een zeer beperkt deel van de cao geldt.

Ik denk dat voor de vraag of de bedingplicht van art. 73 van de cao voortvloeit uit de Detacheringsrichtlijn, er alleen gekeken moet worden hoeveel tijd er gereden wordt in Nederland en niet wie de opdrachten geeft en wie wat aanstuurt. Dat zijn criteria voor de toepasselijkheid van art. 8 Rome I. Het probleem zit hem mijns inziens ook in de formulering van de charterbepaling. De voorwaarde dat de charter “in of vanuit de vestiging in Nederland” moet worden uitgevoerd, leidt ertoe dat rechters gaan kijken wie de eigenlijke leiding heeft bij de transportopdrachten. Maar daar gaat het bij detachering helemaal niet om. Want detachering in de zin van de detacheringsrichtlijn dekt beide situaties: die waarbij de leiding bij de opdrachtgever komt te liggen en die waarbij de leiding bij de opdrachtnemer blijft liggen. Ik denk dus dat de sociale partners er goed aan doen om bij de eerstvolgende versie van de nieuwe cao die eerste voorwaarde eruit te halen.