You are here:
28 juni 2019 / nieuws

Loyens & Loeff Energie Update nr. 4/5 2019

(periode april en mei 2019)
De Energie Update is een uitgave van het Energy Team van Loyens & Loeff. Deze digitale update bevat een korte signalering van de voor de energiesector relevante nationale en Europese rechtspraak, besluiten en wet- en regelgeving die in de hierboven aangegeven periode zijn gepubliceerd.

Awards

Rechtspraak (NL en EU) & Besluiten ACM

Gerechtshof Den Haag 19 februari 2019, zaak 200.213.939/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:744
Hof: geen sprake van inbreuk huurgenot themaparkexploitant door verlening van privaatrechtelijke toestemming door de Staat voor het plaatsen van twee windturbines op het werkeiland Neeltje Jans (hoger beroep). In tegenstelling tot het oordeel van de kantonrechter Den Haag in de uitspraak van 17 januari 2017, oordeelt het Hof dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder. Het cumulatief effect van de hindervormen, voor zover dat zich voordoet, is daarvoor naar het oordeel van het hof nog steeds van onvoldoende gewicht. Met de windmolens is een groot maatschappelijk belang gemoeid en er zijn bovendien maatregelen ter voorkoming van schade in het vooruitzicht gesteld. Het afgeronde bestuursrechtelijke traject duidt er ook op dat geen sprake is van onrechtmatige hinder. Hoger beroep gegrond.

 

Rechtbank Rotterdam 1 maart 2019, zaak C/10/568990 / KG ZA 19-168, ECLI:NL:RBROT:2019:2595
Geen schending zorgplicht netbeheerder door tijdig aangekondigde transportonderbreking tijdens kantooruren. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat er tussen het advocatenkantoor en de netbeheerder een contractuele relatie bestaat. Het advocatenkantoor heeft met een energieleverancier een energieleveringsovereenkomst gesloten en is daarmee automatisch ook een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder aangegaan.

Vervolgens ligt de vraag voor of de tijdens kantooruren geplande transportonderbreking een tekortkoming in de nakoming oplevert van de aansluit- en transportovereenkomst (ATO) tussen het advocatenkantoor en de netbeheerder. Hiervan is volgens de voorzieningenrechter geen sprake. De transportonderbreking wegens het vervangen van een groepenkast in het distributienet als gevolg van de grotere vraag naar vermogen in het centrum van Rotterdam, is noodzakelijk in het belang van een goede elektriciteitsvoorziening en de vervanging moet met voortvarendheid ter hand worden genomen.

De netbeheerder heeft het advocatenkantoor tijdig, ten minste drie werkdagen van te voren geïnformeerd hierover. En tot slot oordeelt de voorzieningenrechter dat de netbeheerder door het, in verband met de geplande werkzaamheden, onderbreken van de transport van elektriciteit tijdens kantooruren, de in art. 3.14 van de algemene voorwaarden neergelegde zorgplicht niet heeft geschonden. Vorderingen afgewezen.

 

Rechtbank Den Haag 20 maart 2019, zaak C/09/496217 / HA ZA 15-1054, ECLI:NL:RBDHA:2019:3620
Een tijdelijk door de Raad van Accreditatie niet geaccrediteerde nationale beoordelingsrichtlijn (BRL 9500) leidt niet tot rechtsongeldigheid van energielabels.

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2019, zaak 18/00329, ECLI:NL:GHARL:2019:2895
Wet Waardering onroerende zaken (Woz). Ook in hoger beroep geen sprake van een samenstel van woning en schuur en worden zij niet op grond daarvan als één onroerende zaak aangemerkt. Het Hof: niet kan worden gezegd dat de elektriciteit die bij de woning van het elektriciteitsnet wordt afgenomen dezelfde is als de bij de schuur aan het elektriciteitsnet geleverde zonne-energie. Het verband tussen de overproductie aan zonne-energie bij de schuur en de elektriciteitsbehoefte bij de woning is meer rekenkundig van aard. De woning is niet van de schuur afhankelijk om in de elektriciteitsbehoefte te voorzien. Dat de percelen waarop de woning en de schuur zijn gelegen voor dezelfde doeleinden worden gebruikt (hobbymatig houden van schapen en de instandhouding van cultuurhistorisch erfgoed) en dat de schuur na sloop van een oude schuur wordt gebruikt ten behoeve van de woning (opslag en stalling), wil niet zeggen dat de schuur ten opzichte van de woning een zodanige functie vervult dat beide een samenhangend geheel vormen. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, behoren de woning en de schuur niet bij elkaar. Hoger beroep ongegrond.

 

Rechtbank Amsterdam 4 april 2019, zaak 6259968 CV EXPL 17-19788, ECLI:NL:RBAMS:2019:2543
Renovatievoorstel woningstichting om woningen te renoveren tot nul op de meter (NOM)-woningen en de daarmee verband houdende (bij de huurders in rekening te brengen) Energieprestatievergoeding (EPV) is geen redelijk voorstel. Aan de door de woningstichting voorgestelde NOM-voorzieningen en de daarmee verbandhoudende, bij de huurder in rekening te brengen, Energieprestatievergoeding (hierna: EPV), kleven zodanig veel onzekerheden dat het voorstel niet als redelijk in de zin van art. 7:220 lid 2 BW kan worden aangemerkt. Dit weegt zwaar nu het hier huurders betreft met een minimum-inkomen. De kantonrechter onderschrijft de noodzaak om juist door experimenteren tot een werkbare wijze van verduurzaming van oudere complexen te komen, maar dat mag niet meebrengen dat individuele huurders daarvan de onvoorziene gevolgen dragen. Daarom maakt juist het feit dat in het voorliggende voorstel (compenserende) voorzieningen ontbreken voor het geval de isolerende maatregelen niet tot de beoogde isolatie en de daardoor verminderde energiebehoefte leiden, dat het niet als redelijk kan worden aangemerkt. Vordering afgewezen.

 

Rechtbank Gelderland 16 april 2019, zaak 350427, ECLI:NL:RBGEL:2019:1681
Congestiemanagement transportcapaciteit. Voorzieningenrechter in kort geding: verzoek tomatenkwekerij (hierna: eiseres) om aanbod te doen tot uitbreiding van (6,7 MW) transportcapaciteit door netbeheerder ten onrechte geweigerd. Enkel contractuele congestie is onvoldoende voor weigering als bedoeld in art. 24 lid 2 E-wet 1998. 
Dit betekent volgens de voorzieningenrechter niet dat eiseres er aanspraak op krijgt dat zij bij voorrang boven anderen elektriciteit getransporteerd krijgt, maar wel dat zij via congestiemanagement mee kan dingen naar verdeling van de schaarste, zoals ook andere aangeslotenen. Vordering toegewezen.

Zie ook onze Energie Update nrs. 1/2 2019 voor het ACM-besluit zaak ACM/18/033359 van 6 december 2018 inzake de geschilbeslechtingsprocedure.

 

ABRvS 17 april 2019, zaak 201801875/1/R3 / ECLI:NL:RVS:2019:1205
Windenergie op zee. Beroepen tegen kavelbesluiten III en IV in het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) deels niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover ontvankelijk, zijn deze beroepen ongegrond verklaard.

 

CBb 23 april 2019, zaak 18/1090, ECLI:NL:CBB:2019:168
Geschilbeslechtingsprocedure naar aanleiding van stroomstoring 380 kV-station Diemen. Uitleg begrip “partijen die een klacht hebben” overeenkomstig art. 51, eerste lid, E-wet 1998. Het College verzoekt het Hof van Justitie EU om uitleg over de vraag of: "artikel 37, elfde lid, van Richtlijn 2009/72 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling het klachtrecht ten aanzien van de beheerder van het landelijke net (transmissiesysteembeheerder) ook opent voor een partij, indien die partij geen aansluiting heeft op het net van die betreffende landelijk netbeheerder (transmissiesysteembeheerder), maar uitsluitend een aansluiting heeft op een regionaal net (distributiesysteem) waarop het transport van elektriciteit stokt door een onderbreking op het landelijk net (transmissiesysteem) dat het regionale net (distributiesysteem) voedt?". Beslissing aangehouden.

 

ABRvS 1 mei 2019, zaak 201804830/1/A2, ECLI:NL:RVS:2019:1429
Kosten tijdelijke inzet van warmteketels bij verlegging warmteleidingen. Hof: kosten die door de warmteleverancier zijn gemaakt in verband met de tijdelijke inzet van warmteketels wegens verlegging van warmteleidingen gelegen in de nabijheid van rijkswaterstaatswerk door werkzaamheden, worden niet vergoed onder nadeelcompensatieregeling (NKL 1999).

De vergunninghouder die leidingen in de nabijheid van een rijkswaterstaatswerk heeft, loopt het risico dat deze leidingen moeten worden verwijderd of aangepast vanwege de werkzaamheden aan waterstaatswerken. Op grond van de NKL 1999 komen daarom alleen de kosten die zeer nauw samenhangen met een gedwongen verlegging voor vergoeding in aanmerking. Tegen deze achtergrond acht de Afdeling het begrijpelijk dat de kosten die verband houden met de bedrijfsvoering van de vergunninghouder en zich buiten de invloedsfeer van de minister bevinden niet voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling volgt de minister in zijn standpunt dat de wijze waarop een leidingnet wordt ingericht de keuze is van de vergunninghouder en daarmee tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend.

De kosten die de inzet van warmteketels met zich hebben gebracht vallen niet onder de kosten van ontwerp en begeleiding of uitvoeringskosten als bedoeld in art. 4 van de NKL 1999 en komen daarom in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.

Nu er onder tijdsdruk voor een oplossing is gekozen en Nuon zich steeds constructief heeft opgesteld acht de Afdeling het onredelijk de kosten die de inzet van warmteketels voor Nuon met zich heeft gebracht geheel voor rekening van Nuon te laten. De Afdeling acht het gelet op de omstandigheden redelijk dat de minister 50% van de door Nuon gemaakte kosten in verband met de inzet van warmteketels vergoedt.

 

Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, zaak 18/04298, ECLI:NL:PHR:2019:496-en Bijlage ECLI:NL:PHR:2019:497
Aardbevingsschade door gaswinning in Groningen. De A-G Hoge Raad geeft in overweging de beantwoording van de prejudiciële vragen zoals gesteld door de Rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 10 oktober 2018 over onder meer de aard en omvang van de aansprakelijkheid, de vergoeding van (im)materiële schade en het bewijsvermoeden.

 

Hoge Raad 10 mei 2019, zaak 17/05180, ECLI:NL:HR:2019:687
Vaststelling winstaandeel gaswinningsbedrijf Nederlands deel Noordzee: aan moedervennootschap betaalde rente uit geldlening aftrekbaar als kosten winningsbedrijf. Uit een geldlening voortvloeiende rentelasten kunnen in beginsel alleen als kosten aan een winningsvergunning worden toegerekend indien die geldlening is aangegaan ter financiering van bezittingen die worden gebruikt in het winningsbedrijf. Er zijn echter omstandigheden denkbaar die maken dat een geldlening die op het moment van het aangaan ervan (nog) niet diende ter financiering van in het winningsbedrijf gebruikte bezittingen, die functie op een later moment gaat vervullen. Zulke omstandigheden doen zich voor in een geval als dit, waarin de geldlening enkel diende ter financiering van de verwerving van een deelneming waarin uitsluitend een winningsbedrijf wordt gedreven, en dit winningsbedrijf vervolgens – door een fusie – een winningsbedrijf van de verkrijgende winstaandeelplichtige is geworden. Dan gaat ook de geldlening behoren tot het vermogen van dat winningsbedrijf. Beroep in cassatie ongegrond.

Autoriteit Consument & Markt (ACM)

Regulering | Handhaving

Zaak ACM/18/033817 – Besluit ACM tot het opleggen van een boete aan Flexenergie B.V wegens overtredingen van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en de Informatiecode elektriciteit en gas, 25 april 2019

 

Zaak ACM/19/035181 – Besluit ACM tot het opleggen van een boete aan twee leidinggevenden wegens feitelijk leidinggeven aan overtredingen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet door Flexenergie B.V., 25 april 2019Hyperlink

Zie ook: Nieuwsbericht ACM: Boetes voor bestuurders van EnergieFlex, 25 april 2019

 

Zaak ACM/19/034807 – Besluit op bezwaar handhavingsverzoek Stichting Platform Tegenwind N33, 27 maart 2019
Geen bevoegdheden ACM om handhavend op te treden tegen of een onderzoek in te stellen naar de totstandkoming en locatiekeuze van Windpark N33. ACM ziet voorts geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van art. 8:45a Awb. Bezwaren ongegrond.

Regulering (internationaal)

Zaak ACM/18/033952 – Voorstel TenneT SO Verordening (artikel 118 jo. artikel 154 lid 2), 21 maart 2019
Staatscourant 10 april 2019, nr. 20428

 

Zaak ACM/18/032849 – Besluit ACM inzake goedkeuring verzoek TenneT wijziging annex bij HAR voor Core regio (FCA Verordening), 27 maart 2019
Staatscourant 12 april 2019, nr. 20625

 

Zaak ACM/18/031767 – Besluit ACM inzake goedkeuring voorstel van TenneT voor een methodologie voor de kosten-batenanalyse om de tijdsperiode te beoordelen voor de levering van FCR (frequentiebeschermingsreserves) tijdens de alarmtoestand, 2 april 2019
Staatscourant 12 april 2019, nr. 20760

 

Zaak ACM/18/033952 – Besluit ACM inzake goedkeuring methodologieën artikel 118 SO Verordening, 4 april 2019
Staatscourant 17 april 2019, nr. 22011

 

Zaak ACM/19/035490 – Verzoek TenneT goedkeuring wijziging regionaal ontwerp transmissierechten Core regio, 11 april 2019
Staatscourant 19 april 2019, nr. 22587

 

Zaak ACM/17/031330 – Besluit ACM inzake goedkeuring TenneT TSO B.V. CACM Verordening in verband met de methodologie voor het berekenen van geplande stroomuitwisselingen op de intraday, 16 april 2019
Staatscourant 17 april 2019, nr. 22010

 

Zaak ACM/17/031331 – Besluit ACM inzake goedkeuring BritNed Development Limited CACM Verordening in verband met de methodologie voor het berekenen van geplande stroomuitwisselingen op de intraday, 16 april 2019

 

Zaak ACM/18/032555 – Voorstel TenneT methodologie redispatching en compensatiehandel Core, 6 maart 2019
Staatscourant 3 mei 2019, nr. 25319

 

Zaak ACM/18/032556 – Voorstel TenneT goedkeuring kostendelingsmethodologie Core regio, 6 maart 2019
Staatscourant 3 mei 2019, nr. 25508

 

Zaak ACM/17/031359 – Besluit van ACM inzake goedkeuring van de het projectvoorstel van Gasunie Transport Services B.V. voor het incrementele capaciteitsproces 2017, 26 april 2019
Staatscourant 26 april 2019, nr. 23366

 

Zaak ACM/19/034739 – Uitvoerings- en handhavingstoets besluit grensoverschrijdend net NL – VK na Brexit, 1 mei 2019

 

Zaak ACM/19/035610 – Consultatie gewijzigde nominatieregels fysieke transmissierechten BritNed (FCA Verordening), 29 april 2019
Staatscourant 8 mei 2019, nr. 26169

 

Zaak ACM/19/035490 – Zienswijze Energie-Nederland op wijziging regionaal ontwerp transmissierechten Core regio, 6 mei 2019

 

Zaak ACM/19/035691 – Verzoek TenneT wijziging voorwaarden CWE flow-based DA besluit, 24 mei 2019
Staatscourant 31 mei 2019, nr. 30756 

Methodebesluiten & tariefregulering

Zaak ACM/18/033801 – Tarievenbesluit GTS 2020, 9 mei 2019
Staatscourant 15 mei 2019, nr. 27403

 

Publicatie ACM: Informatiedocument Tarieven NC TAR voor de tarievenperiode 2020 (15 mei 2019)

 

Publicatie ACM: Concept methode regulering drinkwater- en elektriciteitsbedrijven in Caribisch Nederland (16 mei 2019)
Staatscourant 16 mei 2019, nr. 27405 

Energiecodes | Codewijzigingsvoorstellen

Meetcode elektriciteit per 16 mei 2019
Netcode elektriciteit per 16 mei 2019
Netcode elektriciteit per 25 mei 2019
Transportcode gas LNB per 29 mei 2019

 

Zaak ACM/19/035117 – Ontwerpbesluit ontheffingsaanvraag Netcode voor station Middenmeer, 12 april 2019
Staatscourant 12 april 2019, nr. 20429
Nieuwsbericht ACM: De ACM geeft toestemming voor aansluiten Windpark Wieringermeer, 12 april 2019

 

Zaak ACM/19/035554 – Besluit ACM inzake afwijking van eisen van elektriciteitsproductie-eenheden van het type A (RFG Verordening) door Netbeheer Nederland, 18 april 2019
Staatscourant 25 april 2019, nr. 23716

 

Zaak ACM/16/022665 – Codebesluit meerdere NEMO's op de day-ahead markt, 7 mei 2019
Staatscourant 17 mei 2019, nr. 26780

 

Zaak ACM/18/031279 – Codebesluit Net op zee II, 14 mei 2019
Staatscourant 17 mei 2019, nr. 26779

 

Zaak ACM/18/033953 – Codebesluit dimensionering frequentieherstelreserves (FRR), 23 mei 2019
Staatscourant 24 mei 2019, nr. 28890

 

Zaak ACM/18/032358 – Codebesluit vaststellen entry- en exitpunten, 23 mei 2019
Staatscourant 28 mei 2019, nr. 29930

Overige publicaties | Nieuwsberichten

ACM Onderzoek: Energieleveranciers aan ondernemers op hun woonadres, 19 april 2019

  • Zaak ACM/18/034016 – Besluit ACM inzake de toezegging van Total Gas & Power Nederland B.V. op het gebied van energielevering aan ondernemers op hun woonadres bindend
  • Nieuwsbericht ACM: Geef ondernemers in een woonhuis energie tegen consumentenvoorwaarden, 19 april 2019

 

ACM publicatie: Verkenning naar belemmeringen voor de rol van aggregator, 2 april 2019

 

Publicatie ACM: Regeling doorberekening kosten ACM 2019, 26 april 2019
Publicatie ACM: Energiemonitor voor consumenten – 2019, 15 mei 2019
Nieuwsbericht ACM: Recordaantal overstappers van energieleverancier in afgelopen jaar, 15 mei 2019
Nieuwsbericht ACM: Transporttarieven gas stijgen met gemiddeld 8,6%, 15 mei 2019


Publicatie ACM: Uitspraak CBb: Klic-viewer valt onder publieke taak van Kadaster (14 mei 2019)

 

Publicaties (betreffende ontheffingen verplichting aanwijzing netbeheerder)

Besluiten ACM en zienswijzen inzake aanvragen ontheffing van de verplichting tot aanwijzing netbeheerder
ACM heeft de volgende besluiten en stukken op haar internetpagina gepubliceerd met betrekking tot ingediende aanvragen voor een ontheffing van de verplichting tot aanwijzing van een netbeheerder.

  • Zaken ACM/18/034533 en ACM/18/034534 – Besluit ACM tot intrekking van de ontheffingen van Schiphol, van de verplichting tot het aanwijzen van een netbeheerder, 24 april 2019
  • Zaak ACM/18/034533 – Ontheffingsbesluit ACM inzake Royal Schiphol Group N.V. voor het beheer van een eigen gastransportnet op het luchthaventerrein Schiphol te Haarlemmermeer, 24 april 2019
  • Zaak ACM/18/034534 – Ontheffingsbesluit ACM inzake Royal Schiphol Group N.V. voor het beheer van een eigen elektriciteitsnet op het luchthaventerrein Schiphol te Haarlemmermeer, 24 april 2019
  • Zaak ACM/18/033675 – Ontheffingsbesluit ACM inzake Stichting Hanzehogeschool Groningen voor het beheer van een eigen elektriciteitsnet op de Zernikelaan te Groningen, 30 april 2019

Hof van Justitie EU / Gerecht

Arrest in de zaken C-473/17 en C-546/17 - Repsol Butano, SA (C‑473/17) en DISA Gas, SAU (C-546/17) / Administración del Estado (in tegenwoordigheid van: Redexis Gas, SL en Repsol Butano, SA (C‑546/17), 11 april 2019
Maximumprijzen voor lpg in flessen. Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst Tribunal Supremo, de verwijzende rechter, in wezen te vernemen of het evenredigheidsbeginsel aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen maatregelen als die welke aan de orde zijn in de hoofdgedingen, waarbij een maximumprijs voor lpg in flessen met een nettogewicht tussen 8 en 20 kg en een tarra van meer dan 9 kg wordt vastgesteld en waarbij aan handelaren die in de betreffende sector het grootste marktaandeel hebben op een bepaalde geografische markt, de verplichting wordt opgelegd om dat gas aan huis te bezorgen. In dit verband verwijst hij naar de criteria die voortvloeien uit het arrest van 20 april 2010, Federutility e.a. (C265/08, EU:C:2010:205).

Het Hof verklaart voor recht: “het evenredigheidsvereiste van artikel 15, lid 3, onder c), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan maatregelen als die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, waarbij een maximumprijs voor vloeibaar petroleumgas in flessen wordt vastgesteld en aan bepaalde handelaren de verplichting wordt opgelegd om dat gas aan huis te bezorgen, mits die maatregelen slechts voor een beperkte duur worden gehandhaafd en niet verder gaan dan nodig is om het nagestreefde doel van algemeen economisch belang te bereiken.”

 

Arrest in de zaak C‑294/18, Oulun Sähkönmyynti Oy / Energiavirasto, 2 mei 2019
Korting tarieven door energieleverancier aan eindafnemers die kiezen voor een elektronische factuur niet in strijd met energie-effeciëntie richtlijn. Bij besluit van 20 juni 2017 heeft Energiavirasto (hierna: “het energieagentschap”) zich op het standpunt gesteld dat de korting erop neerkwam dat afnemers die niet voor elektronische facturen hadden gekozen, voor hun facturen het bedrag van 1 EUR moesten betalen. Het energieagentschap heeft Oulun Sähkönmyynti (de energieleverancier) gelast om haar factureringspraktijk te wijzigen en het recht van haar afnemers op kosteloze ontvangst van hun facturen te waarborgen. Bovendien heeft het energieagentschap Oulun Sähkönmyynti bij hetzelfde besluit verzocht het gedeelte van de tarieven terug te betalen dat sinds 1 januari 2016 ten onrechte was ontvangen van afnemers die niet hadden gekozen voor een elektronische factuur.

Oulun Sähkönmyynti heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de markkinaoikeus (rechter in economische zaken, Finland), de verwijzende rechter.

Ter ondersteuning van dit beroep voert Oulun Sähkönmyynti Oy aan dat al haar afnemers hun elektriciteitsfactuur kosteloos ontvangen, ongeacht de wijze van facturering waarvoor zij hebben gekozen. Het vereiste dat facturen kosteloos worden verstrekt, betekent volgens die vennootschap echter niet dat het haar niet is toegestaan een korting op de tarieven voor toegang tot het elektriciteitsnet te verlenen aan afnemers die hebben gekozen voor een elektronische factuur. Bovendien was de aan die afnemers verleende korting niet gebaseerd op een daadwerkelijke vermindering van de kosten, maar op de raming van de gevolgen van die korting. De factureringsfrequentie heeft geen invloed op het bedrag van de nettarieven, noch op het bedrag van de korting, temeer daar de afnemers kunnen kiezen tussen vier, zes of twaalf facturen per jaar. Daarbij komt dat elektronische facturering het mogelijk maakt de administratieve kosten te verlagen.

Het energieagentschap betoogt dat de korting die in het hoofdgeding aan de orde is, neerkomt op de omzeiling van de regel dat alle klanten hun elektriciteitsfactuur kosteloos ontvangen. Voor de eindafnemer is het van weinig belang of een specifieke vergoeding wordt geëist voor de factuur dan wel of de nettarieven hoger zijn omdat hij niet voor elektronische facturering heeft gekozen. Volgens het energieagentschap komt het aan op het prijsverschil tussen de verschillende wijzen van facturering. Het energieagentschap voegt daaraan toe dat enkel de door haar voorgestane uitlegging kan waarborgen dat eindafnemers die geen toegang hebben tot elektronische diensten en die vaak tevens in een kwetsbare positie verkeren, hun elektriciteitsfactuur kosteloos ontvangen.

In deze omstandigheden heeft de markkinaoikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  1. Moet artikel 11, lid 1, van [richtlijn 2012/27] aldus worden uitgelegd dat de toekenning van een korting op de tarieven voor toegang tot het elektriciteitsnet op grond van een door de eindafnemer gekozen wijze van facturering betekent dat facturen en factureringsinformatie niet kosteloos worden verstrekt aan eindafnemers die de korting niet hebben ontvangen?
  2. Voor zover de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord en het toelaatbaar is om voornoemde korting toe te kennen, vloeien dan uit richtlijn 2012/27 specifieke aanvullende voorwaarden voort die bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de korting in acht moeten worden genomen, zoals de vraag of de korting overeenkomt met de door de factureringswijze beoogde kostenvermindering, of de korting bij elke facturering wordt toegekend en of de korting ten goede kan komen aan de kring van eindafnemers dankzij wie de kostenvermindering kon worden gerealiseerd als gevolg van de door hen gekozen wijze van facturering?
  3. Voor zover de toekenning van de in de eerste prejudiciële vraag genoemde korting betekent dat van de eindafnemers die niet voor een bepaalde wijze van facturering hebben gekozen, vergoedingen worden geëist die in strijd zijn met artikel 11, lid 1, van richtlijn 2012/27, vloeien dan uit het Unierecht bijzondere vereisten voort die bij het besluit over de terugbetaling van die vergoedingen in acht moeten worden genomen?”

Het Hof verklaart voor recht: artikel 11, lid 1, van richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG moet aldus moet worden uitgelegd dat het zich in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet verzet tegen een korting op de tarieven voor toegang tot het elektriciteitsnet die door een detailhandelaar in elektriciteit enkel wordt toegekend aan eindafnemers die hebben gekozen voor een elektronische factuur.

 

Arrest in de zaak C‑305/18, Verdi Ambiente e Società (VAS) – Aps Onlus en Movimento Legge Rifiuti Zero per l’Economia Circolare Aps / Presidenza del Consiglio dei Ministri, Ministero dell’Ambiente e della Tutela del Territorio e del Mare, Regione Lazio, e.a., 8 mei 2019
Afvalverbrandingsinstallaties. Uitleg beginsel “afvalhiërarchie” zoals neergelegd in de richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (hierna: “afvalstoffenrichtlijn”). De verwijzende rechter acht het noodzakelijk dat het Hof het beginsel van de „afvalhiërarchie” uitlegt, zoals dat beginsel is neergelegd in de afvalstoffenrichtlijn. Daarnaast vraagt hij zich af of de nationale autoriteit de capaciteit van afvalverbrandingsinstallaties mocht verhogen zonder voorafgaandelijk een milieubeoordeling uit te voeren.

In deze omstandigheden heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  1. Staan de artikelen 4 en 13 van [de afvalstoffenrichtlijn], gelezen in samenhang met de overwegingen 6, 8, 28 en 31 [van deze richtlijn], in de weg aan een nationale primaire regeling en de bijbehorende nationale secundaire uitvoeringsregeling, te weten artikel 35, lid 1, van [machtigingswet nr. 133/2014] en het [besluit van 10 augustus 2016], voor zover daarin alleen de verbrandingsinstallaties die volgens de toelichting in de bijlagen en de tabellen bij het [besluit van 10 augustus 2016] in aanmerking worden genomen, worden gekwalificeerd als infrastructuur en strategische inrichtingen van prominent nationaal belang, waarmee een geïntegreerd en modern stelsel voor het beheer van stedelijk en soortgelijk afval tot stand wordt gebracht alsook de nationale veiligheid en de zelfvoorziening worden gewaarborgd, aangezien de nationale wetgever een dergelijke kwalificatie niet eveneens heeft toegekend aan installaties voor de behandeling van afvalstoffen met het oog op recycling en hergebruik, ondanks dat deze behandelingen in de afvalhiërarchie van de [afvalstoffenrichtlijn] een hogere prioriteit hebben?
  2. Subsidiair, voor het geval dat de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord: staan de artikelen 4 en 13 van [de afvalstoffenrichtlijn] in de weg aan een nationale primaire regeling en de bijbehorende nationale secundaire uitvoeringsregeling, te weten artikel 35, lid 1, van [machtigingswet nr. 133/2014] en het [besluit van 10 augustus 2016], voor zover verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval daarin als infrastructuur en strategische inrichtingen van prominent nationaal belang worden gekwalificeerd om latere niet-nakomingsprocedures wegens niet-omzetting van de Europese regelgeving op dit gebied zowel te regelen als te voorkomen en het storten van afval te beperken?
  3. Staan de artikelen 2 tot en met 4 en 6 tot en met 12 van [de milieubeoordelingsrichtlijn], zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang gelezen, in de weg aan de toepassing van een nationale primaire regeling en de bijbehorende nationale secundaire uitvoeringsregeling, te weten artikel 35, lid 1, van [machtigingswet nr. 133/2014] en het [besluit van 10 augustus 2016], voor zover daarin is bepaald dat de voorzitter van de ministerraad bij eigen besluit de capaciteit van de bestaande verbrandingsinstallaties kan verhogen, alsmede het aantal, de capaciteit en de regio van vestiging kan bepalen van de verbrandingsinstallaties met energieterugwinning voor stedelijk en soortgelijk afval die moeten worden gebouwd om te voorzien in de vastgestelde resterende behoefte, teneinde met inachtneming van de doelstellingen van gescheiden inzameling en recycling geleidelijk het sociaal-economische evenwicht tussen de delen van het nationale grondgebied te herstellen, zonder dat in die nationale normen is bepaald dat bij de opstelling van het plan dat uit het besluit van de voorzitter van de ministerraad voortvloeit, de regeling betreffende strategische milieubeoordeling als bedoeld in de genoemde [milieubeoordelingsrichtlijn] wordt toegepast?”

Het Hof verklaart voor recht:

  1. Het beginsel van de „afvalhiërarchie”, zoals verwoord in artikel 4 van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen en gelezen in het licht van artikel 13 van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarin afvalverbrandingsinstallaties worden aangemerkt als „infrastructuur en strategische inrichtingen van prominent nationaal belang”, mits die regeling verenigbaar is met andere bepalingen van die richtlijn, waarbij specifiekere verplichtingen worden opgelegd.
  2. Artikel 2, onder a), artikel 3, lid 1, en artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s moeten aldus worden uitgelegd dat een uit een basisregeling en een uitvoeringsregeling bestaande nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij wordt besloten tot een verhoging van de capaciteit van de bestaande afvalverbrandingsinstallaties en waarbij wordt voorzien in de bouw van nieuwe installaties van die aard, onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van die richtlijn valt indien zij aanzienlijke milieueffecten kan hebben en bijgevolg aan een voorafgaande milieubeoordeling moet worden onderworpen.

Pop-up stores in the Flemish region: the rules

Wet- en regelgeving energie in Nederland en België – Juli 2019

In dit overzicht zijn de voor de Nederlandse en Belgische energiesector relevante nationale (en eventueel ook Europese) wet- en regelgeving opgenomen. lees meer
Swiss derivatives regulation back on track for equivalence

Energie Update nr. 6/7 2019 Rechtspraak – NL

De Energie Update bevat een korte signalering van relevante nationale en Europese rechtspraak, besluiten en wet- en regelgeving. lees meer
Loyens & Loeff congratulates Northwind with the refinancing of its offshore wind farm

Energie Update nr. 6/7 2019 Autoriteit Consument & Markt

De Energie Update bevat een korte signalering van relevante nationale en Europese rechtspraak, besluiten en wet- en regelgeving. lees meer