You are here:
18 September 2018 / news

Prinsjesdag: Belastingplan 2019

Vandaag heeft de regering het Belastingplan 2019 en aanverwante wetsvoorstellen ingediend bij de Tweede Kamer.

Een aantal onderdelen van deze wetsvoorstellen is mogelijk relevant voor u. Deze hebben wij voor uw gemak op een rij gezet.

Download de PDF versie

  1. Wijziging van tarieven in de vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en btw
  2. Beperking afschrijvingsmogelijkheden gebouwen in eigen gebruik
  3. Beperking termijnen verliesverrekening in de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting
  4. Ontwikkelingen renteaftrekbeperkingen en houdsterverliesregeling
  5. Invoering CFC-regeling buitenlandse deelnemingen en vaste inrichtingen
  6. Afschaffing dividendbelasting
  7. Invoering ‘conditionele’ bronbelasting
  8. Verlaging percentage energie-investeringsaftrek
  9. Investering in vastgoed via een fiscale beleggingsinstelling
  10. Ontwikkelingen 30%-regeling
  11. Versnelde beperking aftrekbare kosten eigen woning en overige aftrekposten
  12. Vaststelling forfaitair rendement Box 3
  13. Onderhoudskosten monumentenpanden
  14. Regels belastingrente erfbelasting versoepeld
  15. Fiscale maatregel rekeningcourantschuld DGA

Het is goed om te weten dat de diverse onderdelen van het Belastingplan 2019 en aanverwante wetsvoorstellen nog kunnen worden gewijzigd tijdens de parlementaire behandeling.

1. Wijziging van tarieven in de vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting en btw


Stapsgewijze verlaging tarief in de vennootschapsbelasting
Op grond van voorgestelde wetgeving worden de tarieven van de vennootschapsbelasting stapsgewijs verlaagd van 20% naar 16% (eerste € 200.000 belastbaar bedrag) en van 25% naar 22,25% (belastbaar bedrag boven € 200.000). In 2019 gaan de tarieven al omlaag naar 19% respectievelijk 24,3%. In 2020 dalen de tarieven verder naar 17,5% respectievelijk 23,9%. Tot slot worden in 2021 de tarieven verlaagd naar 16% en 22,25%. De verlaging van het vennootschapsbelastingtarief is kleiner dan oorspronkelijk was aangekondigd in het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III (21% in 2021). Met het tarief van 22,25% komt Nederland in 2021 rond het EU-gemiddelde uit.

Stapsgewijze verhoging aanmerkelijkbelangtarief (Box 2)
In samenhang met de stapsgewijze verlaging van het vennootschapsbelastingtarief wordt vanaf 2020 het aanmerkelijkbelangtarief in de inkomstenbelasting (Box 2) stapsgewijs verhoogd, zodat het ‘globaal evenwicht’ tussen IB-ondernemers en DGA’s wordt behouden. In 2020 wordt het aanmerkelijkbelangtarief verhoogd van 25% naar 26,25% en in 2021 stijgt het tarief verder naar 26,9%. Deze verhoging is minder dan oorspronkelijk was aangekondigd in het regeerakkoord van het kabinet Rutte-III (28,5% in 2021).

Twee tariefschrijven in de inkomstenbelasting
Voor de inkomstenbelasting wordt een tweeschijvenstelsel voorgesteld voor inkomen in Box 1 (nu kent Box 1 nog vier schijven). De tarieven in de tweede en derde schijf van het huidige stelsel worden stapsgewijs gelijk getrokken met het nieuwe tarief in de eerste schijf (basistarief). In 2019 wordt het gecombineerde tarief van de huidige eerste schijf (inkomen tot € 20.142) 36,65%, de tweede schijf (inkomen tot € 34.404) en de derde schijf (inkomen tot € 68.507) 38,10% en de vierde schijf (vanaf € 68.507) 51,75%. Vanaf 2021 resteren twee schijven. De gecombineerde tarieven zijn dan 37,05% (inkomen tot € 68.507) en het nieuwe toptarief van 49,5% (inkomen vanaf € 68.507).

Verhoging lage btw-tarief van 6% naar 9%
Zoals in het regeerakkoord reeds was aangekondigd, wordt voorgesteld om het lage btw-tarief per 1 januari 2019 van 6% te verhogen naar 9%. Het verlaagde btw-tarief is onder andere van toepassing op de levering van levensmiddelen, medicijnen, arbeidsintensieve diensten, kunst en cultuur diensten, hotel- en campingverblijf en boeken. Er is niet in een overgangsregeling voorzien. Dit betekent dat voor leveringen van goederen of diensten die na 31 december 2018 worden verricht maar waarvoor de vergoeding wel reeds dit jaar is betaald, het 6%-tarief gehandhaafd blijft en er geen 3% extra wordt geheven in 2019. Wel is daarvoor vereist dat duidelijk is bepaald waaruit de toekomstige levering van goederen of diensten bestaat.

2. Beperking afschrijvingsmogelijkheden gebouwen in eigen gebruik

Per 1 januari 2019 wordt voorgesteld om de afschrijving op gebouwen in eigen gebruik te beperken tot 100% van de WOZ-waarde van dat gebouw. Hierdoor gaat voor gebouwen in eigen gebruik binnen de vennootschapsbelasting dezelfde regel gelden als voor gebouwen die worden verhuurd aan derden (gebouwen ter belegging). Indien de boekwaarde van een gebouw in eigen gebruik vóór 1 januari 2019 al lager is dan de WOZ-waarde, hoeft geen belaste opwaardering tot de WOZ-waarde plaats te vinden.

3. Beperking termijnen verliesverrekening in de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting

Op dit moment kunnen verliezen in de vennootschapsbelasting negen jaar voorwaarts worden verrekend met toekomstige winsten. De regering stelt nu voor deze termijn te beperken tot zes jaar. Nog niet verrekende verliezen die zijn geleden in boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2019 blijven maximaal negen jaar voorwaarts verrekenbaar.

Verliezen die opkomen in Box 2 in de inkomstenbelasting zijn op dit moment negen jaar voorwaarts verrekenbaar. In lijn met de aangepaste verrekeningstermijn in de vennootschapsbelasting wordt voorgesteld deze termijn eveneens te beperken tot zes jaar voor verliezen die opkomen na 1 januari 2019.

4. Ontwikkelingen renteaftrekbeperkingen en houdsterverliesregeling

De regering stelt voor om per 1 januari 2019 een nieuwe renteaftrekbeperking in te voeren: de zogenoemde 'earningsstrippingregeling'. De earningsstrippingregeling is een generieke renteaftrekbeperking die geen onderscheid maakt tussen rente verschuldigd aan derden en rente verschuldigd aan gelieerde partijen. De aftrekbeperking geldt voor nieuwe en bestaande leningen. Ingeval de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, wordt de earningsstrippingregeling toegepast op fiscale-eenheidsniveau (en derhalve niet op stand-alone basis).

Voor de toepassing van de earningsstrippingregeling wordt eerst het rentesaldo van de belastingplichtige (of fiscale eenheid) vastgesteld. Dit is het verschil tussen de rentelasten en rentebaten ter zake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten. Wanneer het rentesaldo negatief is, wordt de aftrekbaarheid daarvan beperkt tot het hoogste bedrag van (i) 30% van de 'fiscale EBITDA' of (ii) € 1 miljoen. Het bedrag aan rentesaldo dat als gevolg van deze beperking in een jaar niet in aftrek kan worden gebracht, kan in beginsel onbeperkt in de tijd vooruit worden geschoven en zodoende in de toekomst wellicht alsnog in aftrek worden gebracht.

Tegelijkertijd met de invoering van de earningsstrippingregeling wordt voorgesteld de renteaftrekbeperking voor bovenmatige deelnemingsrente (artikel 13l Wet Vpb 1969) en de renteaftrekbeperking voor overnameholdings (artikel 15ad Wet Vpb 1969) af te schaffen. Ook wordt voorgesteld de zogenoemde houdsterverliesregeling (artikel 20, lid 4 Wet Vpb 1969) per 1 januari 2019 af te schaffen. Hierdoor zijn zogenoemde houdster- of financieringsverliezen die na 1 januari 2019 ontstaan ook verrekenbaar met winsten uit andere activiteiten dan houdster- of financieringsactiviteiten. De renteaftrekbeperking ter voorkoming van winstdrainage (artikel 10a Wet Vpb 1969) blijft bestaan.

5. Invoering CFC-regeling buitenlandse deelnemingen en vaste inrichtingen

De regering stelt voor om per 1 januari 2019 in de vennootschapsbelasting een maatregel in te voeren voor belastingplichtigen die een belang houden in bepaalde  laagbelaste buitenlandse lichamen of buitenlandse vaste inrichtingen (CFC’s). Als gevolg van deze CFC-regeling worden bepaalde soorten ‘passief inkomen’ van de CFC bij de Nederlandse belastingplichtige tot de eigen winst gerekend. De CFC-regeling is bedoeld om te voorkomen dat inkomen uit Nederland wordt verschoven naar een land waar dat inkomen niet of onvoldoende belast wordt.

Volgens de regering beschikte Nederland feitelijk al over een CFC-regeling, omdat op grond van de bestaande regels voor verrekenprijzen (het ‘arm’s length-beginsel’) in sommige gevallen al inkomen van een CFC in Nederland kan worden belast. De nu voorgestelde CFC-regeling is daarop een aanvulling, op basis waarvan specifieke categorieën ‘passief inkomen’ van een CFC in de Nederlandse grondslag worden betrokken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om rente, royalty’s en dividenden die de CFC geniet.

Niet ieder buitenlands lichaam of vaste inrichting is een CFC.  Zo kan alleen sprake zijn van een CFC als de belastingplichtige, al dan niet tezamen met een gelieerd lichaam of gelieerde natuurlijk persoon, een direct of indirect belang van meer dan 50% in het lichaam of de vaste inrichting heeft. Daarnaast moet de CFC zijn gevestigd in (a) een land waar het reguliere winstbelastingtarief minder is dan 7% of (b) een land dat is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties.

In sommige gevallen blijft de CFC-regeling buiten toepassing, ook als wel aan de voornoemde voorwaarden is voldaan. Zo is de CFC-regeling niet van toepassing als de potentiële CFC doorgaans ten minste 70% andere inkomsten heeft dan de genoemde categorieën ‘passief inkomen’. Daarnaast is de CFC-regeling ook niet van toepassing als de potentiële CFC een wezenlijke economische activiteit uitoefent. Daarvoor moet de potentiële CFC onder meer ten minste € 100.000 aan jaarlijkse loonkosten hebben en beschikken over een eigen kantoorruimte die gedurende ten minste 24 maanden aan haar ter beschikking staat.

6. Afschaffing dividendbelasting

De regering stelt voor om per 1 januari 2020 de dividendbelasting af te schaffen. De regering verwacht hiermee het fiscaal gunstige vestigingsklimaat van Nederland verder te versterken en Nederland aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats van hoofdkantoren. De afschaffing van de dividendbelasting valt samen met de invoering van een conditionele bronbelasting op dividendbetalingen naar laag belastende landen in 2020 en een bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende landen in 2021.

7. Invoering ‘conditionele’ bronbelasting

De regering stelt voor om tegelijk met de afschaffing van de dividendbelasting in 2020 een bronbelasting in te voeren op dividendbetalingen binnen concernverband aan vennootschappen die zijn gevestigd in een laagbelast land. Het tarief van de bronbelasting wordt gelijkgesteld aan het tarief van de Nederlandse vennootschapsbelasting. Bij invoering van de bronbelasting in 2020 is dit tarief 23,9%. Het tarief zal in 2021 worden verlaagd naar 22,25%.

De bronbelasting op dividenden is alleen van toepassing op dividendbetalingen door in Nederland gevestigde vennootschappen aan gelieerde vennootschappen, indien (i) die vennootschap een kwalificerend belang houdt in de Nederlandse vennootschap die het dividend betaalt en (ii) de gelieerde vennootschap gevestigd is in (a) een land waar het reguliere winstbelastingtarief minder is dan 7% of (b) een land dat is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties. De bronbelasting zal ook van toepassing zijn op vervreemdingswinsten uit aandelen in de in Nederland gevestigde vennootschap. De regeling zal antimisbruikbepalingen bevatten om het ontgaan van de bronbelasting te voorkomen. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de in Nederland gevestigde vennootschap niet rechtstreeks wordt gehouden door de vennootschap in het laagbelastende land, maar via een tussenhoudster. In die gevallen zal steeds worden getoetst of sprake is van “kunstmatigheid” en of het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting te ontgaan.

Daarnaast zal per 2021 ook een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen van kracht worden. Een wetsvoorstel daartoe zal naar verwachting in de loop van 2019 bekend worden gemaakt.

8. Verlaging percentage energie-investeringsaftrek

Energie-investeringen zijn investeringen die in het belang zijn van een doelmatig energiegebruik. De regering stelt voor om de energie-investeringsaftrek, de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving op milieubedrijfsmiddelen te continueren tot 1 januari 2024. Het percentage van de energie-investeringsaftrek wordt per 1 januari 2019 verlaagd van 54,5% naar 45%.

9. Investering in vastgoed via een fiscale beleggingsinstelling

In de voorstellen is een maatregel opgenomen waardoor een zogenoemde ‘fiscale beleggingsinstelling’ vanaf 2020 niet meer direct mag investeren in Nederlands vastgoed. Benadrukt wordt dat een fiscale beleggingsinstelling wel direct mag blijven investeren in buitenlands vastgoed. Daarnaast mag een fiscale beleggingsinstelling nog wel via een regulier belaste Nederlandse vennootschap investeren in Nederlands vastgoed. In de toelichting op de voorstellen is daarnaast expliciet opgemerkt dat een fiscale beleggingsinstelling toegang behoudt tot de door Nederland gesloten belastingverdragen.

10. Ontwikkelingen 30%-regeling

De regering stelt voor om per 1 januari 2019 de looptijd van de 30%-regeling, ook voor bestaande gevallen, te verkorten van acht jaar naar vijf jaar.

De 30%-regeling is een fiscale faciliteit voor buitenlandse werknemers die tijdelijk in Nederland worden tewerkgesteld en aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze werknemers worden geacht extra kosten - extraterritoriale kosten - te maken in verband met het verblijf buiten hun land van herkomst. Voor deze extraterritoriale kosten kan de werkgever een forfaitaire belastingvrije vergoeding geven tot maximaal 30% van het loon. Een werkgever kan daarnaast schoolgelden onbelast vergoeden aan de werknemer. Enkel voor het vergoeden van de schoolgelden is overgangswetgeving in het wetsvoorstel opgenomen.

Ook de zogenoemde partieel buitenlandse belastingplicht in de inkomstenbelasting wordt beperkt tot maximaal vijf jaar. Werknemers met een 30%-regeling kunnen voor dit regime kiezen: zij worden dan voor Box 2 en Box 3 in de inkomstenbelasting behandeld als buitenlands belastingplichtige. Door de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling zullen werknemers eerder tegen een volledige Nederlandse inkomstenbelastingplicht aanlopen, in sommige gevallen al direct vanaf 1 januari 2019.

11. Versnelde beperking aftrekbare kosten eigen woning en overige aftrekposten

Aftrekbare kosten terzake van de eigen woning (meestal hypotheekrente) worden op dit moment in aanmerking genomen tegen het box 1-toptarief, met een maximum van 49,5% (2018). De bestaande regeling voorziet in een verdere verlaging van dit ‘aftrektarief’ met een half procent per jaar tot 49% in 2019. De regering stelt voor om het aftrektarief versneld af te bouwen met ingang van 2020. Afbouw vindt dan plaats met (circa) 3% per jaar, zodat al in 2023 aftrek plaatsvindt tegen het basistarief van 37,05%.

Deze maatregel geldt niet alleen voor de aftrekbare kosten eigen woning: ook overige grondslagverminderende posten (denk aan alimentatie, giften enz.) worden per 2023 slechts maximaal tegen het voormelde tarief van 37,05% in aanmerking genomen.

Als gevolg van deze voorgenomen maatregel kan het aantrekkelijk zijn om, indien mogelijk, een eigenwoningschuld als een Box 3-schuld aan te merken.

12. Vaststelling forfaitair rendement Box 3

Vandaag zijn de definitieve rendementen voor de berekening van het inkomen uit Box 3 voor 2019 gepubliceerd. Voor de hogere vermogens is dat forfaitaire rendement uitgekomen op 5,60% (2018: 5,38%). Dit wordt belast tegen een tarief van 30%.

13. Onderhoudskosten monumentenpanden

De regering is nog steeds voornemens de aftrekbaarheid van de onderhoudskosten van een monument (eigen woning of Box 3 vermogen) per 1 januari 2019 af te schaffen. Deze aftrek zal worden vervangen door een subsidieregeling voor particuliere eigenaren-bewoners van een monument.

14. Regels belastingrente erfbelasting versoepeld

Op basis van het huidige wettelijke systeem kan belastingrente zijn verschuldigd, ook als tijdig, dat wil zeggen binnen 8 maanden na de overlijdensdatum, een aangifte erfbelasting wordt ingediend. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld dat voor overlijdens op of na 1 januari 2019 geen belastingrente in rekening wordt gebracht ingeval de belastingaanslag ter zake van een overlijden is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte indien het verzoek, onderscheidenlijk de aangifte, is ontvangen voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden.

15. Fiscale maatregel rekeningcourantschuld DGA

In de Miljoenennota geeft de regering aan een maatregel in te willen voeren die belastinguitstel door de DGA moet tegengaan. Dit wordt bereikt door rekeningcourantschulden van de DGA aan zijn vennootschap te ontmoedigen. Voor schulden van de DGA aan zijn vennootschap boven € 500.000 zal daartoe een winstuitdeling van de vennootschap aan de DGA worden verondersteld. Deze winstuitdeling is belast in Box 2 van de inkomstenbelasting. Voor deze maatregel is nog geen wetsvoorstel opgenomen in de Prinsjesdagstukken. De maatregel is daardoor nog met onduidelijkheid omgeven. De verwachte ingangsdatum van de maatregel is 1 januari 2022, waarbij voor schulden van de DGA aan zijn BV voor de “eigen woning” een overgangsmaatregel wordt getroffen. Een concept wetsvoorstel zal in 2019 bekend worden gemaakt. Daar kan dan op worden gereageerd. De regering lijkt er vanuit te gaan dat deze maatregel al in 2019 tot extra belastingopbrengsten leidt, doordat DGA’s op deze maatregel en de verhoging van het Box 2-tarief zullen anticiperen. 

Contact

Heeft u vragen over de onderdelen van de ingediende wetsvoorstellen, neem dan contact op met uw vaste adviseur van het Team Family Owned Business & Private Wealth.

Wij helpen u graag verder.

Disclaimer

Hoewel deze publicatie met grote zorgvuldigheid is samengesteld, aanvaarden Loyens & Loeff N.V. en alle andere entiteiten, samenwerkingsverbanden, personen en praktijken die handelen onder de naam ‘Loyens & Loeff’, geen enkele aansprakelijkheid voor de gevolgen van het gebruik van de informatie uit deze uitgave zonder hun medewerking. De aangeboden informatie is bedoeld ter algemene informatie en kan niet worden beschouwd


European Commission scrutinises competition issues in bank loan syndication

Parliament approves bill tax consolidation regime

On 23 April 2019, the Upper House (Eerste Kamer) of the Dutch Parliament approved the pending legislative proposal to change the Dutch corporate income tax consolidation... read more