Op 1 januari 2001 trad de Wet personenvervoer 2000 (de 'Wet') in werking met als doel marktgericht en kwalitatief hoogwaardig openbaar vervoer. Op 3 december 2009 werd de zogenaamde PSO-verordening[1] van kracht. Om de PSO-verordening verder in te voeren is onlangs een wetswijziging voorgesteld. Wat betekent dit voor OV-autoriteiten en vervoerders? Wij zetten de hoofdpunten van het wetsvoorstel voor u op een rijtje.
Interne exploitant/inbesteding
De Wet en de PSO-verordening vereisen in beginsel dat een openbaar vervoerconcessie wordt gegund na openbare aanbesteding. De PSO-verordening laat ruimte aan de lidstaten om onderhandse gunning aan een interne exploitant (inbesteding) mogelijk te maken. Een interne exploitant is kort gezegd een vervoerbedrijf waarover de tot concessieverlening bevoegde overheid zeggenschap uitoefent. Mede ter uitvoering van de op 5 juli 2007 aangenomen motie van het lid Roefs c.s. is deze uitzondering op de aanbestedingsplicht ten behoeve van de stadsregio's Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden opgenomen in het wetsvoorstel:
- De stadsregio’s moeten vóór 1 januari 2012 (busconcessies of multimodale concessies) en 1 januari 2017 (tram- of metroconcessies) kiezen voor een interne exploitant of een openbare aanbesteding. In feite moet de keuze al dit jaar worden gemaakt. Het voorbereiden en houden van een aanbesteding kost namelijk een jaar;
- Gunt een stadsregio aan een interne exploitant dan moet zij zeggenschap hebben over het betreffende gemeentelijke vervoerbedrijf (GVB, HTM, RET). Dit vereist in geval van Amsterdam en Haaglanden aanpassing van de bestaande juridische structuren;
- De inbestedingsuitzondering is beperkt tot concessies die niet eerder zijn aanbesteed. Dit belet bijvoorbeeld de Stadsregio Amsterdam de concessie in Waterland, die nu wordt uitgevoerd door Arriva en die later dit jaar opnieuw wordt aanbesteed, aan GVB te gunnen zonder voorafgaande openbare aanbesteding;
- Slechts als een stadsregio onherroepelijk besluit de onderhands gegunde concessie aan te besteden, mag de betreffende interne exploitant vanaf twee jaar voor de afloop van deze onderhands gegunde concessie meedingen naar openbaarvervoeraanbestedingen.
Transparantieverplichting
Het wetsvoorstel voorziet in een aantal bepalingen om de inzichtelijkheid van financiële gegevens en gegevens met betrekking tot de uitvoering van de concessie te vergroten:
- Een uitbreiding van de verplichting tot het opstellen van een programma van eisen naar iedere vorm van concessieverlening, ongeacht of deze concessie is aanbesteed;
- De concessieverlener dient jaarlijks een overzichtsverslag in elektronische vorm te verstrekken (bijvoorbeeld op haar website), met daarin de betaalde compensaties en exclusieve rechten;
- De concessieverlener is verplicht de Minister van Verkeer en Waterstaat desgevraagd die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan een verzoek van de Europese Commissie om informatie te verstrekken die haar in staat stelt om na te gaan of compensaties die aan concessiehouders worden verstrekt verenigbaar zijn met de PSO-verordening. De concessiehouder wordt verder verplicht de betreffende noodzakelijke informatie aan de concessieverlener te geven;
- Voor een concessiehouder aan wie een openbaar vervoerconcessie onderhands is gegund (zoals een interne exploitant) gelden additionele transparantievereisten om kruissubsidie te vermijden.
Maximumduur concessies
In het wetsvoorstel is, onder verwijzing naar de PSO-verordening, de maximale concessieduur verruimd:
- Concessies voor busdiensten: een maximumduur van 10 jaar;
- Concessies voor spoordiensten: een maximumduur van 15 jaar, indien deze worden aanbesteed;
- Multimodale concessies: een maximumduur van 15 jaar, indien het vervoer per spoor meer dan 50% van de totale waarde van de betrokken diensten vertegenwoordigt;
- Onder bepaalde voorwaarden kan de maximumduur met 50% worden verlengd;
- In zeer uitzonderlijke gevallen is het mogelijk een concessie met een langere duur te verlenen met een maximumduur van 25 jaar (bijvoorbeeld in geval van kapitaalafschrijvingen met betrekking tot uitzonderlijke infrastructuurinvesteringen, rollend materiaal of voertuigen);
- Concessies voor personenvervoerdiensten per trein die onderhands worden gegund: een maximumduur van 10 jaar (deze termijn kan onder bepaalde voorwaarden worden verlengd tot 15 jaar).
Overige relevante wijzigingen
- Artikel 3 biedt de mogelijkheid om ten behoeve van een experiment af te wijken van een aantal artikelen uit de Wet. Het wetsvoorstel wijzigt een aantal van deze artikelen. Aanvullend is voorzien in een mogelijkheid af te wijken van de artikelen 36 t/m 40 die betrekking hebben op de zogenaamde personeelsparagraaf;
- Openbaar vervoer zonder aanbesteding en zonder concessie kan worden verricht indien de dienstregeling uitvalt of dreigt uit te vallen. Deze noodmaatregel mag niet langer dan twee jaar duren. In de personeelsparagraaf wordt helder gemaakt hoe de genoemde personeelsbepalingen van toepassing zijn als er ingevolge een noodmaatregel openbaar vervoer wordt of is verricht zonder concessie;
- Het overdragen van een concessie aan een andere vervoerder wordt beperkt tot de rechtsopvolger van de concessiehouder;
- De Minister van Verkeer en Waterstaat mag een concessie voor het hoofdrailnet gunnen zonder voorafgaande aanbesteding;
- De bepalingen inzake verklaring van geen bezwaar en marktmacht, die nooit zijn geïmplementeerd, en de bepalingen betreffende internationale reciprociteit worden ingetrokken;
- De mogelijkheid om eenmaal voor ten hoogste 12 maanden te verlengen, indien de aanbesteding niet heeft geleid tot concessieverlening, komt te vervallen;
- De in artikel 61 van de Wet opgenomen mogelijkheden tot ontheffing van de aanbestedingsverplichting komen te vervallen;
- Toezicht- en handhavingsmogelijkheden van de dagelijkse besturen van de plusregio’s wordt in de wet opgenomen (herstel van eerdere omissie) en de NMa krijgt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
Meer informatie:
Team Openbaar Vervoer en Mobiliteit
Anke Stellingwerf Beintema, advocaat
anke.stellingwerff@loyensloeff.com
T 020 578 57 31
1 EG-verordening 1370/2000 van 23 oktober 2007.