Auteur
 
Publicatiedatum
12-10-2011 
 

 

Drinkwatertarieven onder de Drinkwaterwet 

Uiteindelijk is de Drinkwaterwet op 1 juli 2011 in werking getreden, samen met het Drinkwaterbesluit, de Drinkwaterregeling, de Regeling legionellapreventie en de Regeling materialen en chemicaliën. ‘Uiteindelijk’ want nadat de Drinkwaterwet al in juni 2009 was aangenomen duurde het nog tot mei van dit jaar totdat het Drinkwaterbesluit vaststond en pas in juni werd de Drinkwaterregeling gepubliceerd. In onze eerdere Nieuwsbrieven van juni 2008 en september 2010 zetten wij reeds enkele uitgangspunten uiteen van de wijze waarop de tariefregulering voor drinkwater vorm zal gaan krijgen. Nu de wet in werking is getreden is het goed om hier nog eens op in te gaan.

De tariefregulering van het drinkwater is vormgegeven in de artikelen 10 t/m 13 van de Drinkwaterwet, de artikelen 6 t/m 10 van het Drinkwaterbesluit en de artikelen 5 t/m 7 van de Drinkwaterregeling. Daarnaast geldt op grond van artikel 39 e.v. van de Drinkwaterwet een zogenaamde ‘prestatievergelijking’ waarin - onder meer - de kostenefficiëntie van het drinkwaterbedrijf eens in de drie jaar wordt afgezet tegen de efficiëntie van andere drinkwaterbedrijven. Op deze wijze worden bedrijven geprikkeld om minstens even goed te presteren als de ‘peers’. De eerste prestatievergelijking zal plaatsvinden in 2013.

De kern van de tariefregulering staat in artikel 11 van de wet: de eigenaar van een drinkwaterbedrijf hanteert tarieven die kostendekkend, transparant en niet-discriminerend zijn. Aan het vereiste van kostendekkendheid wordt voldaan indien de geraamde omzet niet meer bedraagt dan de geraamde kosten. De kosten die een drinkwaterbedrijf in zijn tarieven mag doorberekenen, bestaan uit de operationele kosten die het drinkwaterbedrijf maakt in de uitvoering van zijn taken en verplichtingen op grond van artikel 7 van de wet, en zijn vermogenskosten.

Als grondslag voor het bepalen van de vermogenskosten geldt de activawaarde, waarbij materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen historische kostprijs. De startwaarde van de activa zal mogen worden overgenomen uit de jaarverslagen van de drinkwaterbedrijven ultimo 2007.

De vermogenskosten bestaan uit kosten uit eigen vermogen en vreemd vermogen. De Minister van Infrastructuur en Milieu bepaalt tweejaarlijks vóór 1 november het maximale aandeel eigen vermogen in het totaal vermogen van een drinkwaterbedrijf. In de toelichting op het Drinkwaterbesluit geeft de Minister als richtlijn een A-rating. In het Drinkwaterbesluit is opgenomen dat van die grens kan worden afgeweken op verzoek (aan de Minister) en voor zover (i) aannemelijk is dat dit nodig is voor het doen van investeringen; (ii) dit leidt tot lagere financieringskosten, (iii) de afwijking maximaal 10% meer bedraagt. Het besluit bepaalt niet uitdrukkelijk dat dit cumulatieve eisen zijn.

De maximale vermogenskosten worden vastgesteld aan de hand van de ‘gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet’ (in jargon: de ‘WACC’), die eveneens tweejaarlijks door de Minister wordt vastgesteld volgens een methode die is vastgelegd in Bijlage C bij het Drinkwaterbesluit en met inachtneming van de uitgangspunten die zijn opgenomen in artikel 5 van de Drinkwaterregeling. Aansluiting is gezocht bij de methode die  door de NMa wordt gehanteerd bij de bepaling van de WACC bij netbeheerders voor elektriciteit.

Vervolgens worden op grond van artikel 13 van het Drinkwaterbesluit ramingen gemaakt van de voor doorberekening in aanmerking komende kosten en van de omzet die met uitvoering van de wettelijke taken en verplichtingen kan worden behaald. De kosten worden jaarlijks aangepast aan de in het voorafgaande jaar gerealiseerde kostenefficiëntie en aan de bovengenoemde prestatievergelijking. De uiteindelijke tarieven moeten zodanig worden vastgesteld dat de geraamde omzet de geraamde kosten niet zal overstijgen.

De tarieven worden goedgekeurd door de aandeelhouders van het drinkwaterbedrijf. Uiterlijk op 1 december dient het drinkwaterbedrijf een overzicht van de tarieven voor het komende kalenderjaar te publiceren. In dat overzicht dienen zichtbaar te zijn: de aansluitkosten, het vastrecht en de prijs per m3 geleverd drinkwater. Ook moet uit het overzicht kunnen worden afgeleid hoe de tarieven zich verhouden tot de operationele kosten de afschrijvingen, de vermogenskosten en belastingen. Hierop wordt toezicht gehouden door de VROM-Inspectie.

Het drinkwaterbedrijf moet daarnaast jaarlijks vóór 1 oktober verslag aan de Minister uitbrengen waarin de kosten en het bedrijfsresultaat over het voorgaande jaar zijn opgenomen. Indien achteraf blijkt dat meer winst is gemaakt dan is toegestaan, dient hiervoor een correctie plaats te vinden via de tarieven voor een volgende periode. De wet verplicht de Minister om dit verslag vóór het jaareinde door te sturen naar de Eerste en de Tweede Kamer. Daarmee wordt het politieke belang nog eens onderstreept.

Voor vragen kunt u contact opnemen met roland.de.vlam@loyensloeff.com

Praktijkgebieden
Kantoren
Landendesks